Vergeven is Scheppingswerk (2005)

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 554 niet laden
Kort geleden was er op TV veel aandacht voor de gijzeling van de schoolkinderen in Beslam van afgelopen jaar, waarbij over de 300 doden vielen, bijna allemaal kinderen. Ik was bijzonder getroffen door het verhaal van een moeder, wier enige kind, een meisje van 11 jaar, ook was omgekomen. De tranen rolden over haar wangen, toen zij het vertelde, maar zij voegde eraan toe, en dat vond ik groots: ‘ik begrijp ook waarom de Tsjetsjenen naar dit uiterste middel grijpen; wat dat land en die mensen, al jarenlang, is aangedaan, is ten hemelschreiend.'

Iets dergelijks was ook de ervaring van bisschop Tutu, de voorzitter van de verzoenings commissie in Zuid Afrika, die na de onafhankelijkheid zwarten en blanken weer met elkaar in het reine moest brengen. Volgens Tutu was de bereidheid tot vergeven onder de zwarte bevolking groot. ‘Ik heb adembenemende voorbeelden meegemaakt', zegt hij, ‘van de grootsheid van mensen, aan wie onwaarschijnlijk veel pijn, verdriet en leed is aan­gedaan. Je zou je schoenen er bij uittrekken omdat je op heilige grond staat.'

‘Je zou je schoenen erbij uittrekken, omdat je op heilige grond staat'. Wanneer iemand die diep gekwetst is, zich probeert in te leven in de ander die hem gekwetst heeft; wanneer hij in de huid van de ander probeert te kruipen, is God aanwezig. Elkaar op die manier vergeven, niet zeven keer maar zeventig maal zeven keer - dat is: totaal en onvoorwaardelijk - dat is waar Jezus het over heeft; dat is wat Hij wezenlijk noemt voor het Rijk Gods, voor de verwezenlijking van de liefdesgemeenschap van broeders en zusters die Hem voor ogen staat.

Dat wil niet zeggen, dat het kwaad niet bestraft hoeft te worden. Natuurlijk, het recht moet zijn beloop hebben en de samenleving moet beschermd worden tegen misdadigers. De joden kenden een rechtssysteem, dat het kwaad bestraft dat iemand is aangedaan, maar de bestraffing mocht niet buiten proporties zijn. Het boek Exodus geeft een richtlijn: ‘een oog voor een oog, een tand voor een tand.' Zo'n richtlijn was nodig in die begintijd: om de spontane neiging tot wraak in te dammen en bloedwraak te stoppen, om overreactie binnen de perken en het men­selijke verkeer leefbaar te houden. De wet van Mozes, hoewel vaak verkeerd verstaan, diende als richtlijn voor de rechtspraak. Straf was nodig, maar moest wel in verhouding staan tot het kwaad, dat was aangedaan. Het ‘oog om oog, tand om tand' was daar een goed uit­gangspunt voor.

Maar voor Jezus, die een andere wereld voor ogen heeft, een liefdesgemeenschap van broeders en zusters, is ver­gelding op maat niet voldoende. Voor de gemeenschap van mensen, die Hem voor ogen staat, durft Hij om vergeving zonder maat te vragen. ‘Zeventig maal zeven maal', zegt Hij; Petrus raakt de tel kwijt en dat was ook de bedoeling van Jezus; bereidheid om te vergeven moet een levenshouding zijn, geen kwestie van berekening.

Het is de taak van ons christenen om in onze verscheurde men­sen­familie een begin te maken met ver­geving van dat kaliber. Hoe anders kunnen vicieuze cirkels van geweld doorbroken worden? Het is niet voor niets dat Hij ons in het Onze Vader laat bidden: ‘vergeef ons onze schuld, zoals ook wij aan anderen hun schuld vergeven.' Het moet, want niet vergeven, blijven haten en wrokken maakt niet alleen de ander stuk, maar ook jezelf; het vreet aan je leven.

Mensen leven nu eenmaal samen in allerlei verbanden: in huwelijk, in gezin, in familie, in vriendschappen, in buurten, in bevolkingsgroepen zoals joden en Palestijnen. Hoe gemak­kelijk kan daar niet een breuk ontstaan? Die vraagt om herstel, om heling. Vergeving betekent heil, heel maken, en dat geldt zowel voor diegene die ver­geving nodig heeft als voor diegene die vergeving schenkt.

Maar de gedachte van vergeven - en van liefhebben van de vijand - kan alleen maar opkomen bij iemand, die zichzelf kent, die zijn eigen zwakte en zijn eigen fouten kent. Van­daar de rolverwisselingen in Jezus' parabel: De schul­denaar is de zwakste, maar als hij daarna een ander ontmoet, die bij hem in het krijt staat, zal hij zich zijn eigen situatie moeten herinneren. Ieder van ons heeft op zijn tijd vergeving nodig; daar moeten we ons van bewust zijn. Juist dat bewustzijn geeft ons een houding van mildheid op het moment, dat de ander onze vergeving behoeft. Want niemand kan de ander van harte vergeven, als hij ook niet ooit zelf met lege handen heeft gestaan en vergeving nodig had. Vergeven van de ander, die tegen mij mis­deed, liefhebben van onze vijan­den, kan alleen maar op­komen bij hem/haar, die heeft ervaren hoe het voelt in de huid van de zwakste te zitten.

Iemand die stomdronken achter het stuur kruipt en een kind dood rijdt, zit klem. Uit die situatie is niet meer uit te komen; zo iemand heeft geen recht om ver­gif­fenis te krijgen; hij heeft geen been om op te staan; hij heeft geen enkel argument om zich te rechtvaardigen; hij kan niets doen om het goed te maken; hij staat met volkomen lege handen, helemaal in de schuld, totaal aangewezen op de genade/ ongenade van de andere partij. Dan komt het er echt op aan, of beide partijen de creativiteit kunnen opbrengen om die patstelling te doorbreken.

Vergeving is niet goedkoop voorhanden, is niet af te kopen met een plantje. Er is meer voor nodig; het is scheppingswerk... uit het niets. Als de schuldige voor zichzelf en voor de andere partij weet te erkennen, dat hij zich in een on­mogelijk positie heeft gewerkt; als hij tot op de bodem van zijn schuld is afgedaald, dan pas kan de ander zijn hand uitsteken en hem zijn schuld ver­geven.

Een ziekenhuispastor vertelt van zijn ervaring: een vrouw belde mij en vroeg of ik wilde komen, want haar man was heel ernstig ziek; hij wilde het sacrament der zieken ontvangen. We waren met z'n drieën. De man keek zijn vrouw aan en vroeg: 'kunde gij mij alles vergeven?' Van harte en met een milde blik zei ze: ‘ik vergeef je alles.' Ze gaven elkaar de hand en toen zei de man: ‘dan kan ik nu in vrede optrekken'. Dit (zegt de pastor) heb ik ervaren als een heilig moment.

Zorgen wij ervoor, dat ook wij in onze relaties (in huwelijk, in gezin, in familie, in de kring van kennissen, in de wijk) geen dodelijke breuken laten voortbestaan. Zorgen wij voor heilige momenten, voor heilige grond: zo goed als God te zijn.