Goed-zijn willen we eigenlijk allemaal wel. Zeker voor mensen die je goed kent, die je graag mag en die ook goed zijn voor jou. Maar het wordt moeilijker bij iemand die je lastig vindt, nukkig of ondankbaar. En het wordt allermoeilijkst tegenover iemand die je beduveld heeft, meer dan eens beledigd heeft of gekwetst. Je wilt best eens over je hart strijken, maar er zijn grenzen; je bent wel goed, maar niet gek... En zo dacht Petrus ook. Petrus vond zich een hele Piet als hij zeven keer zou vergeven. Dat vond hij een heel redelijk compromis tussen goed en gek zijn.
Maar zijn leermeester, rabbi Jezus, zegt: Je moet niet zeven maal, maar zeventig maal zeven maal vergeven. En dan raakt Petrus de tel kwijt. En dat is precies de bedoeling: vergeven is geen kwestie van rekenen of berekening. Jezus neemt zijn vriend de meetlat af en vertelt hem over Gods maatstaf, die grenzeloos is, eindeloos.
Als God ons allemaal eindeloos vergeeft en ons aanvaardt met al onze hebbelijkheden en gebreken, waarom dan zo kleinzielig tegenover elkaar? Hoe royaal God is en hoe kleinzielig mensen kunnen zijn, schildert Jezus met een verhaal, een parabel.
Iemand die voor 10.000 talenten in het krijt stond, wordt zijn schuld, een gigantisch bedrag, onmiddellijk kwijtgescholden. Maar diezelfde persoon blijkt niet te vermurwen tegenover een ander, die bij hem een paar centen tegoed heeft. Hij kent geen geduld en genade. Wat Jezus zeggen wil is dit: Als God zo mild en geduldig omgaat met onze schuld, waar halen wij dan het lef vandaan zo veeleisend te zijn tegenover elkaar.
Ik ben wel goed, maar niet gek, lijkt zo redelijk en kan van karakter getuigen dat je niet over je laat lopen. Maar onverzettelijkheid moeten we niet verwarren met wrok en genadeloosheid. Het is ongezond, weet de lezing uit het Oude Testament ons al te melden, om ermee te blijven rondlopen. Waar mensen elkaar niet vergeven gaan beide partijen eronder gebukt. Er wordt niemand beter van, wel verbitterd.
Wie zich bewust is van zijn eigen kleinheid, zonde en gebreken, wie zich realiseert dat er veel aan hem of haarzelf mankeert en tegelijkertijd gelooft dat God ons liefheeft en nooit iemand doorstreept of afschrijft, zo'n mens telt eerst tot tien voor hij kwaad wordt op een ander en telt verder dan zeven voor hij ophoudt met vergeven.
Toen ik nog in de schoolbanken zat, kwam het nogal eens voor dat ik in de fout ging en daarna excuus moest gaan aanbieden voor wat ik had uitgehaald. En dan trof je twee soorten leraren. Het ene soort liet voelen dat zij volwassen, heel wijs en flink waren en jij stom en nog lang niet volwassen. Ze vergaven je uit hoofde van hun functie. Het andere soort vergaf je ook met hun hart. Ze keurden bepaalde streken niet goed, maar ze lieten op een of andere manier merken dat ze het wel een beetje begrepen. Ze waren zelf ook jong geweest, hadden ook wel eens ‘geklierd' en waren als volwassen mensen niet vergeten dat ze zelf ook ‘snotneus' waren geweest.
Wie vergeet wie hij was, wie hij is, wie zijn eigen zondigheid niet kent, die zal maar moeilijk en nooit van harte vergeven. Wie van zichzelf weet hoe hij ook voortdurend over de schreef gaat en voor ogen houdt dat God hem telkens vergeeft, die zal ook anderen hun falen niet blijvend aanrekenen.
Zo iemand is dus goed, een beetje gek en heel erg christelijk.