Om levenden en doden

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 233 niet laden
Sommigen menen dat het het mooiste korte verhaal is in de gehele Engelse literatuur. Het is het laatste verhaal in James Joyce's verhalenbundel Dubliners. Het is getiteld ‘De Doden'. Het gaat over een groep vrienden en kennissen die in Dublin op een nieuwjaarsavond samenkomen. Ze eten en ze drinken. Sommigen eten en drinken zelfs te veel. Maar bij alles wat ze doen, of ze nu eten of drinken, zingen of naar wat pianospel luisteren, komen herinneringen op aan hen die gestorven zijn. Als je het verhaal leest, of de film ziet die naar aanleiding van het verhaal gemaakt is, weet je eigenlijk niet wie op die avond het meest aanwezig zijn, de levenden of de doden.

Als de avond voorbij is gaan Gretta en haar man Gabriël naar hun hotel. Ze beginnen zich uit te kleden. Hij zoekt toenadering. Zij aarzelt. Hij vraag haar waaraan zij denkt. Ze antwoordt dat ze aan een liedje denkt: ‘The Lass of Aughrim', en maakt zich los van hem, leunt over de bedopstand en begint te huilen. ‘Wat is er met dat liedje, wat doet je nou huilen?', vraagt hij. ‘Ik denk aan iemand die het zong. Een jongen die ik kende, Michael Furey.' Ze vertelt dan dat hij dood is, dat ze veel van hem hield en dat hij voor haar stierf.

Hij was ziek toen ze als een jong meisje naar kostschool in Dublin ging. Ze mocht hem niet bezoeken. Ze schreef hem een brief dat ze naar kostschool ging, dat ze in de zomer terug zou komen, dat ze hoopte dat hij dan beter zou zijn, en dat ze elkaar weer zouden kunnen zien. De avond voor haar vertrek hoorde ze wat zand dat tegen het raam van haar kamer gegooid werd. Het raam was zo beslagen dat ze er niet door kon kijken. Ze holde naar beneden, en daar stond de zieke Michaël achter in de tuin bij de muur onder een boom te bibberen in de kou. Ze zei hem naar huis te gaan, dat de kou en regen zijn dood zouden zijn. Hij antwoordde haar dat hij niet langer wilde leven. Ze kon zijn ogen zien terwijl hij dat zei. Maar toen was hij naar huis gegaan. Een week later hoorde ze op haar kostschool dat hij dood en begraven was in Oughterard waar zijn familie vandaan kwam. Ze schokt van haar schreien. Hij laat haar alleen. Ze valt op bed en valt huilend in slaap. Ook hij krijgt tranen in zijn ogen. Het is alsof hij de gestalte van een jongeman onder een druipende boom ziet staan. Hij is niet alleen. Zijn ziel is nu ergens waar de enorme aantallen doden verblijven. Hij is zich bewust van hun vreemd en opflakkerend bestaan, maar hij kan het niet begrijpen. Hij hoort een geluid, een zacht getik op het raam van de kamer. Het sneeuwt buiten weer. De kranten hadden het voorspeld: sneeuw over heel Ierland. De sneeuw valt over alles, ook over het eenzame kerkhof waar Michaël Furey begraven ligt, het valt dik over de kromgetrokken kruizen en grafstenen, op de punten van het hek, op de doornhaag. Hij hoort de sneeuw vallen over alles en iedereen, de levenden en de doden.

Maar die doden zijn levend gebleven. Hun invloed is niet weg. Misschien is hun invloed in deze wereld zelfs groter dan die van ons die nog in deze wereld leven. ‘Niemand van ons leeft voor zichzelf alleen, niemand sterft voor zich alleen.'

Dat schrijft Paulus ons in het fragment uit zijn brief aan de Ro¬meinen. Het is een thema dat rechtstreeks van Jezus had kunnen komen. Ook die zei dat God geen God van doden is, God is een God van levenden. Jezus gebruikt daarbij een ander beeld. Een beeld zoals dat van die boom in die Ierse tuin. We horen bij elkaar zoals de takken en de stam, zoals de bloemen en de bladeren van een boom, de ene levensboom. De herfst begint te naderen. De bladeren aan de meeste bomen kleuren in hun laatste gloed. Ze zijn vaak het mooist vlak voordat ze afvallen. Het afgevallen blad wordt op den duur weer door de boom als energie gebruikt. Maar dat is niet het voornaamste. Wat die afgevallen bladeren tijdens hun leven aan groei van de boom bijgedragen hebben zal nooit meer verloren gaan. Het blijft zolang de boom leeft.

Het is de boom die Gods belofte van eeuwig leven draagt. ‘Of wij leven of sterven, Hem behoren wij toe. Daarvoor is Christus gestorven en weer levend geworden: om Heer te zijn over doden en levenden.' Onze God heerst over doden en levenden, in die volgorde, zoals James Joyce zo goed aanvoelde.