24° Zondag A (2011)

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 419 niet laden
Petrus heeft duidelijk een dikke huid. Hij kan tegen een stootje. Zijn naam betekent 'steen' of 'rots' en dat is duidelijk niet voor niets. Vier zondagen geleden konden wij hier horen hoe Jezus hem de lucht in stak: "Jij bent Petrus; op die steenrots zal ik mijn kerk bouwen". Maar de zondag er op, drie weken terug, werd hij door diezelfde Jezus op niet mis te verstane wijze gecorrigeerd: "Ga weg, satan, terug. Je bent een struikelblok voor mij." Petrus krijgt dus alle hoeken van de kamer te zien. Maar zoals gezegd: hij kan tegen een stootje. Je blaast hem niet zomaar omver. Een ander zou misschien gezegd hebben "Bekijk het maar" en zich zwaar beledigd en voor altijd boos terug hebben getrokken. "Satan ..." - het zou je maar gezegd worden. Zo niet Petrus. Hij incasseert Jezus' lóf, maar ook Zijn correctie. Hij slikt het. En hij gaat gewoon dóór. Jaren geleden zei een collega mij dat ooit: "Wat ik heb geleerd, is: je moet steeds maar gewoon doorgaan." Dat klinkt als een open deur intrappen, maar voor mij zijn het belangrijke woorden geweest, een 'spirituele les' als het ware. En Petrus illustreert die.

Kort na Pasen was ik in Ierland. Ierland staat vol met muurtjes; muurtjes die zijn gemaakt van ruwe stenen, stenen die allemaal hun onregelmatigheden en scherpe kantjes hebben. Daardoor sluiten de stenen niet naadloos op elkaar aan. Er zit ruimte tussen die stenen. Wind en water hebben er vat op. En daardoor worden in de loop van de tijd die stenen steeds meer gepolijst en afgevlakt. Het muurtje zakt daardoor een beetje in, maar het wordt ook steviger.

Ik denk: zoals met zulke stenen, zo is en zo gaat het met ons ook. Ook wij sluiten niet naadloos op elkaar aan. Ook wij kunnen botsen met elkaar, elkaar onrecht aandoen en elkaar pijn doen. Wij "verslijten aan elkaar"[1] in die zin. Maar als het goed is gróeien wij daardoor óók in geestelijke zin en wordt ons sociale weefsel er hechter door.

Het is eigenlijk humor dat die nog maar pas door Jezus zo zwaar gecorrigeerde Petrus - en ongetwijfeld heeft dat Petrus pijn gedaan en misschien voelde hij zich ook wel beledigd -; het is dan eigenlijk humor dat het nu ook weer Petrus is in het evangelie van vandaag die aan diezelfde Jezus vraagt: "Heer, als mijn broeder tegen mij misdoet, hoe dikwijls moet ik hem dan vergeven?"

Die broeder die Petrus vergeven moet is ook Jezus zelf!

Jezus ' antwoord is: Zeventig maal zevenmaal. Dat is dus vierhondernegentig maal. Maar dat bedoelt Hij natuurlijk niet. Hij bedoelt natuurlijk: Je moet ad infinitum, je moet tot in het oneindige blijven vergeven. Ik kom uit een gezin met vijf kinderen. En "je moet wat van elkaar kunnen hebben" zei mijn vader altijd. Dat was bij ons thuis een gevleugelde uitspraak. Vergeving is een levenselexir, het is een toverdrank van het leven - en zeker van het christelijk leven. Zonder vergeving gaat de machine van ons samenleven steeds stroever lopen en loopt die uiteindelijk vast. Vergeving is de olie die de machine, die ook ons eigen mechanisme nodig heeft om te werken. Vergeving - ook na de meest afschuwelijke gebeurtenissen en misdaden die mensen elkaar aandoen. Vandaag tien jaar geleden: 11 september 2001, de terroristische aanslagen in New York en Washington, de verwoesting van het World Trade Center, die twee trotse torens, de verwoesting van drieduizend mensenlevens. Wat moeten de nabestaanden (en in zekere zin zijn ook wij dat); wat moeten zij, wat moeten wij ermee? "Wrok en gramschap zijn iets afschuwelijks, alleen de zondaar blijft ermee lopen" hoorden we vandaag in het bijbelboek Jezus Sirach. En ook: "Vergeef uw naaste zijn onrecht", en: "houd op met haten". Je moet het maar kunnen. Maar dat kúnnen is wel van levensbelang, op de allereerste plaats ook voor jezelf, want anders beheersen haat en wrok je bestaan.

Tienduizend talenten was die eerste dienaar over wie Jezus in het evangelie spreekt schuldig. Tienduizend talenten, een duizelingwekkend hoge som: een bedrag dat je van je levensdagen met gewoon werken niet terug kunt betalen. Veel mensen zitten in deze tijd met dat soort schulden, bij de bank vooral, met name vanwege onbetaalbaar geworden hypotheken, of mensen vrezen om in zo'n situatie terecht te komen. Ten opzichte van God zitten we allemaal in dat schuitje. Bij God staan we allemaal in het krijt. God is als een bank waarbij wij allemaal een niet in te lossen schuld hebben. Want wie je als mens bent, alles wat je zomaar gratis en voor niets hebt meegekregen in het leven: je lichaam en je geest, je startkapitaal, je familie; je hebt het niet van jezelf en ten diepste ook niet van je ouders, nee, ten diepste komt het en is het van God. Zoals Paulus zegt vandaag: "Hém behoren wij toe".

Wat wij in die zin God verschuldigd zijn, zég: tienduizend talenten, dat is van een totaal andere orde als wat mensen elkaar verschuldigd kunnen zijn: in de evangelietekst wordt een bedrag genoemd van honderd denariën. En dat is een volstrekte peuleschil, peanuts vergeleken bij die tienduizend talenten waar het eerder om ging. En toch kunnen mensen zich op die peanuts ongelooflijk vastbijten. Wat een energie en wat een rancune kunnen mensen toch soms steken in allerlei kwestietjes die ze met elkaar hebben. Hun wereld kan voor mensen gaan draaien om een Chinese vaas, om een erfafscheiding, om een parkeerplaats, om een zak geld ... Mensen kunnen lijden aan een geweldig perspectiefverlies in die zin.

De pizzaboer tegenover mijn huis niet. Gisteravond was ik daar even. Ook bij hem gaan de zaken niet geweldig begreep ik. "Maar wij leven" zei hij. En zo is dat. Ons leven is, ondanks alles, een wonder en een geweldig en onverdiend geschenk. Dat het ons, ondanks alles, mag blijven vervullen van dankbaarheid. En dat we het niet bederven door onverzoenlijkheid. Amen.