23e zondag door het jaar (2008)

Inleiding

'Iustus es, Domine, et rectum iudicium tuum; fac cum servo tuo secundum misericordiam tuam!' ... 'Gij zijt rechtvaardig, Heer, en uw oordeel is juist. Behandel uw dienaar overeenkomstig uw goedheid!' Hoe oordeelt de Heer? Volgens het recht, rechtvaardig? Of volgens de genade, barmhartig? In de loop van zijn geschiedenis heeft het volk Israël altijd geweten dat het tegenover God geen enkel recht had, maar was aangewezen op genade en barmhartigheid: Gods rechtvaardigheid is alleen maar goedheid en barmhartigheid.
Dat is nog steeds de positie van de gelovige. Ook binnen de Kerk is het recht doordrongen van genadebeginselen. Vandaag zien we in het evangelie hoe wij in de medegelovige niet zomaar een mens zien, maar allereerst de broeder of zuster van Jezus, verlost door zijn Bloed. Wordt zo iemand door de Kerk in de ban gedaan, dat is: uitgesloten uit de kerkelijke gemeenschap, dan wordt hij niet zonder meer afgeschreven, maar hij krijgt een nieuwe kans om opnieuw te worden opgenomen in de gemeenschap: om zich samen met zijn broeders en zusters in de aanwezigheid te weten van Jezus: "daar ben Ik in hun midden."
Dat is wat wij vandaag vieren: de verrezen Heer in ons midden, in het midden van broeders en zusters, die zelf, volkomen onverdiend, door Hem begenadigd zijn, verlost door zijn Bloed. Die genade werden wij deelachtig bij het sacrament van het doopsel; wij zijn gereinigd door zijn Bloed en bezield door de heilige Geest, verzoend met zijn Vader in de hemel.

Homilie

"Wanneer uw broeder gezondigd heeft ..." Aan wat voor soort zonde moeten we dan denken? Het gaat hier om iemand die niet zomaar een regel van de Kerk overtreedt, maar die de norm van de Kerk niet wil aanvaarden, uit een zekere minachting - hij lapt de kerkelijke wet gewoon aan zijn laars - of, wat nog erger is, hij meent zelf wel te kunnen uitmaken wat goed en kwaad is. Hij herhaalt de zonde van het paradijs, eet opnieuw van de boom van de kennis van goed en kwaad. Zo'n zonde is een zonde tegen God, maar ook tegen Christus, die de Bruidegom van de Kerk is: "Hij heeft haar liefgehad en Zich voor haar overgeleverd" (Ef 5,25). Het zou liefdeloos zijn zo'n gelovige maar zijn gang te laten gaan, zoals mensen in onze maatschappij geneigd zijn te doen. De broeders en zusters moeten doen zoals hun Goede Herder hun heeft voorgedaan. De Goede Herder schrijft het afgedwaalde schaap niet af, Hij gaat het zoeken net zo lang tot Hij het vindt: "Zo wil ook uw hemelse Vader niet dat één van deze kleinen verloren gaat" (Mt 18,14). Dat woord gaat, veelbetekenend, vooraf aan de passage over hoe te handelen "wanneer uw broeder gezondigd heeft."

Ook de broeders en zusters van de Kerk moeten er alles voor doen om hun dwalende broeder terug te winnen. Daarvoor wordt een drietal stappen aangegeven: 1. terechtwijzing onder vier ogen; 2. een of twee personen als getuigen erbij; 3. voorleggen aan de Kerk, uiteraard in de persoon van de bisschop. Wil hij ook naar de Kerk niet luisteren, dan wordt hij 'gebonden', dat is een technische term voor 'in de ban gedaan'. Hij of zij wordt buiten de kerkgemeenschap gesloten, of beter: de Kerk stelt vast dat zo iemand zichzelf buiten de kerkgemeenschap heeft gesloten, en dat betekent op de eerste plaats dat hij niet meer mag meedoen met de eucharistie. Jezus zegt: "Beschouwt hem dan als een heiden of een tollenaar", dat zijn mensen die er een onevangelische wijze van leven op nahouden: alleen beminnen die hen beminnen en alleen de mensen van hun eigen groep groeten: kliekjesgeest (Mt 5,46-47).

Het begint dus bij het conflict, de onenigheid. Het conflict komt tot een hoogtepunt, de breuk is compleet. Dan komt de inkeer, de verzoening en het opheffen van de ban. Hij hoort er weer helemaal bij en kan nu samen met de broeders en zusters 'eensgezind' bidden en "verenigd zijn in Jezus' Naam." Blijkbaar dient de ban ter genezing. Het is een medicinale straf.

Door het geloof krijgen wij een bijzondere band met onze medegelovigen, onafhankelijk van de aard van het contact dat we met hen hebben, of we ze nu sympathiek vinden of niet, een band die sterker is dan het samen mens zijn, de medemenselijkheid. Gelovigen worden voor elkaar 'broeder' en 'zuster'. Het evangelie denkt niet in termen van mensen en medemensen, maar in termen van 'broeder' en 'zuster': "Wanneer uw broeder gezondigd heeft ... "Luistert hij naar u, dan hebt gij uw broeder gewonnen."

Volgende week zondag stelt Petrus aan Jezus de vraag: "Heer, als mijn broeder tegen mij misdoet, hoe dikwijls moet ik hem dan vergeven?" (Mt 18,21). Er wordt ons niet op het hart gedrukt dat wij goed moeten zijn voor onze medemensen, want dat moeten niet-christenen ook! Daartoe zijn christenen dus al verplicht door hun medemens-zijn. Medemenselijkheid is niet specifiek christelijk. In het christen-zijn komt er iets bij: de medegelovige is méér dan alleen medemens. Je gaat elkaar zien als iemand van God, als een broeder of zuster van Jezus Christus.
Van Ignatius van Loyola was bekend hoe hij bij het begroeten van gasten, hoog of laag, van ver of dichtbij, vreemden of bekenden, één en al vreugde leek te worden. Hij leek zo'n gast dan helemaal in zijn hart te willen opnemen. Iemand vroeg hem op de man af hoe dat toch kwam. Het antwoord was even kort als doeltreffend: 'Vóórdat ik iemand verwelkom, overweeg ik eerst de prijs van zijn ziel.'

Was het ook niet de bijzondere liefde voor elkaar, die de heidense omgeving bij de eerste christenen bewonderde: "Zie eens hoe zij elkaar liefhebben!" Daarop weten de christenen zich uiteindelijk geoordeeld: "De Koning zal hun zeggen: voorwaar, Ik zeg u: al wat gij gedaan hebt voor een dezer geringsten van mijn broeders, hebt gij voor Mij gedaan" (Mt 25,40). Die persoonlijke, zelveloze liefde is juist tegenover huisgenoten en geloofsgenoten bijzonder moeilijk op te brengen. Het is een algemeen menselijk gegeven dat men maar moeilijk voor mensen van hun eigen kring kunnen opbrengen wat men met gemak voor buitenstaanders van zich gedaan krijgt. Hoe dikwijls hoort men niet dat iemand tegenover buitenstaanders totaal anders is dan tegenover zijn huisgenoten. Is het omdat buitenstaanders meer dankbaarheid tonen? En anderzijds vinden mensen van de eigen kring het dienstbetoon meer vanzelfsprekend, meer als iets waarop zij mogen rekenen, niet als iets waarvoor zij dank je wel moeten zeggen. Een oude moeder hoeft geen dank je wel te zeggen voor het bezoek van haar kinderen. Ze mag natuurlijk wel laten merken dat ze er blij mee is, maar dat is iets anders dan dank je wel zeggen. Zo hoeft ook Jezus niet te bedanken voor een bezoek van een gelovige aan een van zijn geringste broeders of zusters. Is het niet veeleer omgekeerd: zij mogen Jezus bedanken, dat zij Hem mochten bezoeken in een gevangen of zieke medegelovige.

In de eucharistie wordt het evangelische broeder- en zuster-zijn zowel uitgeoefend als steeds opnieuw ingeoefend. We oefenen het uit elke keer als we ons met 'broeder' en 'zuster' laten aanspreken: 'Broeders en zusters, belijden wij onze zonden.' ... 'Bidt, broeders en zusters ...' Ingeoefend wordt het broeder- en zuster-zijn, als we bij de offerande de natuurlijke, medemenselijke, familiale en collegiale banden loslaten, om vanuit Jezus een nieuwe band met elkaar te ontvangen. Dat is de band van zijn liefde tot het uiterste toe in het teken van brood en wijn, het sacrament van zijn Lichaam en Bloed. Vrijwillig, uit liefde, heeft Hij zijn Lichaam overgeleverd en zijn Bloed vergoten tot vergeving van de zonden. Na het Onze Vader geeft Hij ons zijn vrede, de vrede van met God verzoende gelovigen.