Elkaars hoeder zijn (2008)

Op de voorkant van de orde van dienst staat een foto van een ganzenhoeder uit Indonesië, die de dieren behoedzaam, maar met vaste hand begeleidt , leidt naar een bestemming. In de bijbel kom je vaker het beeld tegen van een hoeder of herder van een kudde schapen. Vaak gaat het om Jezus als goede herder.  In het werkwoord "hoeden" zit de betekenis van "beschermen", maar ook van "de manier waarop je dat doet, namelijk behoedzaam, omzichtig met zachte hand leidend". Bijvoorbeeld: Als een schaap verloren is gaat de herder zoeken, net zo lang tot hij terecht is en dan is hij blij. Het is een hele verantwoordelijkheid om een goede hoeder te zijn.

De lezingen van vandaag gaan over het hoeden van je broeder, je medemens  en over verantwoordelijkheid. 
- Hoeder van je medemens zijn. Hoe moeilijk is dat tegenwoordig/ hoe veilig, in een tijd waarin een ander aanspreken op zijn gedrag geregeld leidt tot excessief geweld?
Twee weken geleden werd een parkeerwachter in Amersfoort door een passant bedreigd met een vuurwapen, omdat diens woorden hem niet bevielen. Grijpen wij in bij zinloos geweld ? Moeten we ons mengen in een echtelijke ruzie? Mogen we nog iets zeggen over burenoverlast? Wat doen we in zo'n situaties? Horen, zien, zwijgen? Durven we überhaupt nog iemand aan te spreken?
-   Hoeder van je medemens zijn. Het klinkt vreemd in een tijd waarin  'opkomen voor jezelf' en 'jezelf ontplooien' en 'vrijheid blijheid' de hoogste waarden zijn. Ook Kaïn nam zijn vrijheid. Hij had er geen moeite mee om zijn broer Abel te vermoorden. En toen God hem ter verantwoording riep met de vraag : " Waar is je broer?", antwoordde Kaïn : "Ben ik soms mijn broeders hoeder?"
Maar dit is niet de houding, die God goedkeurt, zoals we zagen  bij Ezechiël in de eerste lezing: In het profetisch optreden van Ezechiël kan men verschillende fasen onderscheiden. In de eerste fase, vóór de ondergang van Jeruzalem in 587 voor Christus, heeft  de profeet onvoorwaardelijk onheil aangekondigd. Daarmee wil hij zijn volksgenoten de illusie ontnemen dat zij vast kunnen rekenen op de onaantastbaarheid van stad en tempel. Na de val van Jeruzalem verandert de verkondiging van Ezechiël. Dit is de tweede fase Enerzijds wil hij degenen die schuldig waren aan de catastrofe ter verantwoording roepen. Anderzijds wil hij de vertwijfelden moed geven door hen te wijzen op de mogelijkheid van een nieuw, heilvol bestaan. Dit wil hij bereiken door een voorwaardelijke heilsverkondiging: dood voor de schuldigen, heil voor hen die omkeren. Dit is het gedeelte dat we net hoorden in de eerste lezing. Hierin noemt Ezechiël zichzelf een wachter, een beeld dat hij ook in de eerste fase gebruikte. Toen werd hij op een strategische plek is uitgezet in het vooruitzicht van een aanval op Jeruzalem. Het is de plicht van een wachter  tijdig te waarschuwen. Als wachter is Ezechiël   hoeder van de stad: hij behoedt de inwoners voor kwaad. Dat heeft hij gedaan, in tegenstelling tot de leiders van het volk, die zich beriepen op de onaantastbaarheid van de stad.
Ezechiël is zich er steeds van bewust dat hij  persoonlijk verantwoordelijk is voor het juist overdragen van de boodschap van God naar het volk van Israel. Hij  is immers door Hem als wachter aangesteld, en dat is geen geringe taak. En zoals de profeet verantwoordelijk is voor zijn volk, zo is ieder mens verantwoordelijk voor zijn persoonlijke relatie tot God. Willen we God volgen, dan moeten we daar ook naar handelen. Wie zich niet wil bekeren, gaat zijn ondergang tegemoet; wie zich bekeert, zal leven.
De boodschap van God tot Ezechiël luidt: Het is je plicht om je medemens tijdig te wijzen op zijn zonde (daarmee wordt bedoeld: het zich niet houden aan de 10 geboden). Anders zal niet alleen die fout blijven bestaan, maar maak je jezelf ook schuldig, omdat je niets gedaan hebt aan het onrecht. Er wordt door God aan toegevoegd: als je niets doet word je zelf gestraft!
Maar God is zelf ook rechtvaardig. Als een zondaar zich bekeert en zijn leven betert, vergeeft God hem. God spoort ons dus aan om goed te doen, om rechtvaardig te zijn, en wijst ons daarbij op onze verantwoordelijkheid.
Het gaat niet om betweterigheid, het wijzen met de vinger: "jij doet iets fout en ik wijs je daar lekker op". Het gaat om de herkenning: "Jij bent net als ik, broeder, een schepsel van God met goede en slechte eigenschappen. Ik ben niets beter dan jij. Wij zondigen allemaal wel eens, maar als we spijt betuigen, worden we vergeven." 

Dit zien we ook terug in de evangelielezing van vandaag. Jezus wijst de apostelen daarbij ook op de behoedzaamheid, waarmee de gemeenschap een medechristen die een fout begaat moet terechtwijzen. Zondigt een broeder, spreek hem dan onder vier ogen erop aan; zo'n een-op-een-gesprek  leidt eerder tot  een beter begrip van de situatie. Lukt dat niet, haal er dan een of twee anderen bij om het conflict op te lossen. Wil hij dan nog niet naar de goede raad luisteren, leg het voor aan de kerk.
Misschien heeft de kerk daarin tegenwoordig een kleinere rol - wij kennen bijvoorbeeld geen ouderlingen in het katholicisme - en bij een conflict stappen we nu eerder naar de politie of de rechter… maar de kerkgemeenschap heeft eeuwenlang een grote rol al behoeder gehad.
Wil iemand echt niet luisteren dan plaatst hij zich buiten de maatschappij, buiten de orde. Jezus wijst ons in het evangelie van Matteus echter op het belang van eensgezindheid en op de verantwoordelijkheid die je als christen hebt juist door je relatie met God  (een band met je medemens, je broeder, is een band met God). Vind je elkaar als mens, als broeders, dan is Hij, de Ene, in je midden.

Wat wij van Jezus kunnen leren: We leven allemaal samen in deze maatschappij en zijn verantwoordelijk voor elkaar. We mogen elkaar op broederlijke wijze terechtwijzen, dat wil zeggen zonder gevoelens van haat, zonder wrok, maar uit naastenliefde. En dan maakt het niet uit of het om een christen gaat of niet.