Wachter over het volk

 

 

Twee of drie

Hoge cijfers en grote getallen betekenen weinig in de ogen van Jezus. Hij was niet uit op succes. Weliswaar hebben grote massa’s Hem een tijdje gevolgd. Hij spijzigde vijfduizend mannen en daarbij vrouwen en kinderen. Maar Jezus speelde niet met grote getallen. Hij hield het bij die herder met zijn honderd schapen en de vrouw met de tien drachmen. Hij deed beroep op een handvol mannen en vrouwen. Hij had rondom zich de groep van de twaalf ( Mt. 10,1-5) en hij duidde daarnaast 72 anderen aan die hij twee aan twee uitzond (Lc. 10,1). Jezus heeft nogal sympathie voor het kleine groepje van twee. Hij was overtuigd dat uit het samengaan van twee of drie krachtige dingen konden ontstaan. Jezus verklaarde in het evangelie: ‘Waar twee of drie verenigd zijn in mijn Naam, daar ben ik in hun midden’ (Mt. 18,20). Hij beweerde dat deze, wanneer ze eensgezind op aarde iets vragen, het moge zijn wat het wil, dat ze het verkrijgen van zijn Vader die in de hemel is.

Wanneer twee mensen samen bidden, stellen ze zich broos en kwetsbaar op. Ze geven aan elkaar iets prijs van hun binnenkant. We schrikken daarvoor terug. We voelen ons gemakkelijker in een grotere groep, waarin we ons kunnen verschuilen. We wagen het niet zo gauw om met twee samen iets te vragen. Daarbij twijfelen we of we het wel zullen verkrijgen. Maar waar twee of drie samen durven bidden, breekt iets door van het Rijk Gods. Daar belijden we immers dat God er is, dat Hij met mensen begaan is. Jezus verzekert ons dat Hij dan zelf in ons midden is. Dit is het grootste geschenk. Zijn aanwezigheid is het mooiste dat we kunnen ontvangen. Het is een Emmaüsgebeuren. ‘Brandde ons hart niet in ons, zoals Hij onderweg met ons sprak en ons de Schriften ontsloot’ (Lc. 24,32). Twee of drie bijeen in Jezus’ naam, deze kleine gemeenschap, een kerk in het klein, dit is reeds heel veel!

Wanneer we onder christenen in onze dagen wat teveel bezig zijn met getallen, zodat we er onder lijden dat we slechts een kleine minderheid vormen, dan komt Jezus om onze droefheid op te heffen. Hij onderstreept het belang van die twee of drie, bijeen in zijn Naam. In alle bescheidenheid, onopvallend, komen mensen bijeen, twee of drie, in Jezus’ naam. Die twee of drie, dit gebeurt tijdens het ziekenbezoek waarbij Ria en Jan samen bidden. Of wanneer twee verloofden samen zijn en neerknielen bij een icoon. Dit gebed schept eenheid. Het opent op het mysterie dat hen samen draagt. Twee of drie in Jezus’ naam! Het kunnen mensen zijn van een verschillende kerkgemeenschap, maar die geloven dat Jezus onze verschillen overschrijdt.

Jezus is op velerlei wijzen onder ons aanwezig. ‘Persoonlijk is Hij aanwezig door de kracht in de sacramenten zodat, wanneer iemand doopt, Christus zelf doopt. Persoonlijk is Hij aanwezig in zijn woord, want Hij spreekt zelf wanneer de heilige Schrift in de Kerk wordt voorgelezen. Ten slotte is Hij persoonlijk aanwezig wanneer de Kerk bidt en psalmen zingt, wanneer Hij heeft beloofd: ‘Waar er twee of drie verenigd zijn in mijn Naam, daar ben ik in hun midden’ (Mt. 18,20)’ (K. K.K. 1088).

Procedure om conflicten te beslechten

Twee of drie, dit mag geen gesloten kring zijn. Jezus verruimt onze horizon. Hij wijst op een grotere gemeenschap. Twee of drie, ze kunnen alleen niet alles oplossen. Bij een geschil, bij een meningsverschil, bij een spanning kan het aangewezen zijn op anderen beroep te doen om een juiste oplossing te vinden.

De gemeenschap voor wie Mattheüs schreef, kende en doorstond conflicten. Deze gemeenschap hanteerde wijze regels om uit de moeilijkheden te geraken. Ze beriep zich op aanduidingen van Jezus. Als uw broer of zus iets tegen jou heeft, hang dit niet aan het klokzeel. Je mag je tegenstander niet tegen de muur duwen. Spreek eerst onder vier ogen. Jullie staan in zulk gesprek beiden op voet van gelijkheid, waar in waarheid en oprechtheid dingen kunnen gezegd, aangeklaagd, rechtgezet worden.

Iemand berispen, hem terecht wijzen, dit is heel delicaat. Wie ben ik ten opzichte van de ander? Hoe is mijn eigen leven? Leg je handen op je hoofd en kijk wie er onder staat. Wat drijft me wanneer ik een ander op een fout wijs? Eerst onder vier ogen! Lukt dit niet, haal er dan anderen bij. Een derde in het gesprek brengt een ander gezichtspunt aan. Hij of zij kunnen helpen om tegenstellingen te overschrijden. Jezus haalde deze aanwijzing en rechtsregel uit het boek Deuteronomium. ‘Bij geen enkel vergrijp of misdrijf is het voldoende als één persoon tegen de dader getuigt; alleen een verklaring van twee of drie getuigen is rechtgeldig’ (Deut. 19,15). Paulus heeft in de gemeente van Korinte, op grond van diezelfde stelregel, zaken beslecht. ‘Op het woord van twee of drie getuigen krijgt iedere zaak haar beslag’ (2 Kor. 13,1).

Het kan gebeuren dat zelfs die procedure niets uithaalt. Dan blijft er alleen nog over om de zaak aan de ganse gemeenschap voor te leggen. De fout en het kwaad kan echter zo hardnekkig zijn dat alleen de uitsluiting overblijft. Dit is een mislukking waarbij we ook dan blijven geloven dat God de uitgeslotene niet afschrijft. Jezus noemde zichzelf immers vriend van zondaars en tollenaars.

De woorden van Jezus over de broederlijke en zusterlijke vermaningen weerspiegelen spanningen binnen de christelijke gemeenschappen. Ze zijn de aanzet van richtlijnen tot ordening van het leven in de Kerk. De rooms-katholieke Kerk beschikt over een Wetboek van Canoniek Recht. Paus Johannes XXIII voelde de noodzaak om het wetboek van 1917 te hervormen. Na het Tweede Vaticaans Concilie is daarvan werk gemaakt. Op 25 januari 1983 vaardigde paus Johannes-Paulus II het nieuwe kerkelijk wetboek uit. ‘Het wetboek beoogt in de kerkgemeenschap een orde tot stand te brengen die de eerste plaats toekent aan de liefde, de genade en de charismata en die tegelijkertijd de geordende vooruitgang hiervan gemakkelijker maakt, hetzij in het leven van de kerkgemeenschap, hetzij ook in het leven van de afzonderlijke mensen die tot haar behoren’ (Wetboek van canoniek recht, Licap, 1987, blz. XXI).

In dit wetboek is een deel gewijd aan het voeren van processen binnen de Kerk. In canon 1446 is een verre echo te bespeuren op de verzen bij Mattheüs over procedures bij conflicten. ‘Alle christengelovigen, op de eerste plaats echter de bisschoppen, dienen zich in te spannen dat, met behoud van de rechtvaardigheid, geschillen in het volk van God, in de mate waarin het kan, vermeden en zo spoedig mogelijk vreedzaam bijgelegd worden.’ Niet toedekken!

Iemand waarschuwen, mag dit wel?

Vermanen, berispen, terechtwijzen, dit zijn woorden en daden die niet aangenaam zijn. We moeten daar niet te gemakkelijk mee omgaan. Wie terechtwijst, moet zelf weten waar hij staat. We mogen nooit iemand vermanen met de bedoeling deze te kleineren. Een vermaning moet ingegeven zijn door de zorg voor het goede. Pas dan kan deze heilzaam zijn. Ze behoedt ons dan voor vergroeiing en voor het afglijden naar het kwaad. Alles goed heten en toelaten, dit is geen goede opvoedingsmethode. Permissiviteit en een totaal vrije opvoeding zijn misschien wat op de terugkeer in de familiale opvoeding. Afspraken binnen een gezin, leefregels en normen zijn nodig. Maar de gezinsleden moeten er dan samen voor zorgen dat ze geëerbiedigd worden.

Mensen hebben het toch moeilijk wanneer anderen zich moeien met hun gedrag. “ Ik bemoei me niet met jouw zaken. Bemoei jij je dan ook niet met de mijne. Ik ben toch vrij. Ik doe wat ik wil. Zolang we onder mekaar vinden dat we, bij wat we doen, er ons goed bij voelen en we niemand pijn berokkenen, dan mag toch alles! Ik ben de knecht van niemand en niemand moet mijn knecht zijn.” We horen zulke uitspraken en we nemen ze zelf in de mond, want we staan erg op onze autonomie. We leggen de nadruk op ieders vrijheid. Hiermee reageren we op perioden waarin alles voorgeschreven was en waarin de uniformiteit en tucht hoog scoorden.

Mag en kan ik anderen aanspreken op wat ze verkeerd doen of dreigen te doen? ‘Rook a.u.b. niet, want je stoort mij. Rij toch niet zo snel, want je gaat verongelukken. Let op bij handelszaken, fraudeer niet want je schaadt de maatschappij en je zijt sociaal onrechtvaardig.’ Het vergt durf en tact om daar met medemensen heel concreet over te spreken. Een individueel persoon laat het niet zo gemakkelijk toe dat een andere individuele mens hem, zelfs met handschoenen aan en welwillend, zou terechtwijzen.

Onder de vele boodschappen waarmee de media het publiek bestormen, zijn toch een aantal hiervan bedoeld om ons tot een beter gedrag aan te sporen, zoals de campagnes rond autorijden, milieubehoud, gezondheidsopvoeding, preventie en bescherming. ‘Let op je gewicht; houd afstand; open je ogen vooraleer aids ze sluit’. Er zijn de oproepen tot sociale rechtvaardigheid en het bestrijden van sociale fraude.

Christenen dragen verantwoordelijkheid voor het welzijn van hun Kerk. Tevens zijn ze met vele medeburgers betrokken op de rechtvaardige opbouw van de maatschappij en de mensengemeenschap. We mogen de ogen niet sluiten wanneer verkeerde mechanismen het algemeen welzijn in het gedrang brengen.

‘We komen er niet als jij, mijn broer en zus, van de juiste weg afwijkt en wanneer wij ons niet samen inzetten voor het goede’. De vermaning en de waarschuwing zijn vormen van christelijke liefde. Een christelijke gemeenschap groeit wanneer mensen van deze gemeenschap biddend in het leven staan. Maar ze groeit eveneens wanneer we samen het goede nastreven en elkaar ertoe aansporen en wanneer we, zo nodig, zusterlijk en broederlijk durven vermanen.

‘De vruchten van de liefde zijn vreugde, vrede en barmhartigheid; de liefde eist de weldadigheid en de broederlijke vermaning; ze is welwillendheid; ze wekt wederkerigheid op; blijft belangeloos en verdraagzaam; ze is vriendschap en gemeenschap’ (K.K.K., 1829). De heilige Augustinus vatte deze opdracht aldus samen: ‘De voltooiing van al onze werken is de liefde. Daar is het doel waarvoor we hard lopen en we snellen op dit eindpunt toe. Daar aangekomen, zullen we in haar rust vinden.” De liefde wenst dat mensen die van elkaar houden, samen het einddoel mogen bereiken en dat ze niemand op de weg erheen achterlaten.