De gele kaart in het Evangelie

Beste vrienden,

Niet alleen de fervente sportbeoefenaars onder ons kennen haar: de gele kaart. In het voetbal bv wordt ze aan een speler getoond wanneer deze zich onsportief gedragen heeft. Iedereen die tijdens een wedstrijd een dergelijke kaart heeft gezien, weet wat hem te wachten staat wanneer hij zich nog eens verkeerd zou gedragen.  Dan toont de scheidsrechter hem namelijk een tweede gele kaart en vlak daarna een rode, waarmee de speler in kwestie van het verdere spelverloop wordt uitgesloten.    Voor iemand die “Rood” krijgt, is het spel voortijdig beëindigd, zo staat het in het reglement! Om die reden worden de zgn Geel-zondaars door de trainers doorgaans voorzichtigheidshalve tegen een andere speler uitgewisseld, zodat ze geen gevaar meer lopen om uitgesloten te worden. Voorkomen is altijd beter! 

Misschien vraagt u zich af wat die gele en rode kaarten met het evangelie van vandaag te maken hebben. Wel, je zou bij het lezen van de tekst gemakkelijk op het idee kunnen komen dat wat Mattheus in dit stuk Evangelie beschrijft, een soort handleiding is voor het uitdelen van gele en rode kaarten binnen de toenmalige christengemeente. Hoe schreef hij ook weer? „Wanneer je broer – en volgens mij mag je de zusters er hier ook bijrekenen – wanneer je broer of zus zondigt, ga er dan naartoe en wijs hem onder vier ogen terecht.” Met andere woorden: toon hem of haar de gele kaart!  Vestig zijn (of haar) aandacht op het feit dat hun gedrag zo niet OK is. In de kerkelijke traditie noemt men dat de “correctio fraterna”, de broederlijke of zusterlijke terechtwijzing. En dan vertelt Mattheus heel nauwkeurig hoe dat zou moeten gebeuren. 
Eerst moet je het gesprek onder vier ogen zoeken. Een raad, die wij in onze dagelijkse omgang doorgaans ook wel behartigen. Alleen ligt het kleine verschil er bij ons dikwijls in dat geen van die vier ogen aan de persoon in kwestie toebehoort. Want wij spreken, eerlijk gezegd toch altijd liever over iemand dan met iemand. Maar dat kan nu juist niet de bedoeling zijn. Met die verwijzing wordt ook niet bedoeld dat wij een standpunt zouden innemen zoals:  Deze of gene andere is toch oud en wijs genoeg om zelf te weten wat hij of zij doet. Beide reacties leiden er toch niet toe om met de persoon in kwestie een gesprek aan te gaan. Tegenover hem of haar blijven we liever afzijdig wij leven toch doorgaans naar het motto: ik hou me daar buiten, ik wil geen moeilijkheden. 

Maar dat is nu juist waar die broederlijke terechtwijzing niet over gaat. God zegt, en dat hebben we duidelijk gehoord in de lezing: “Wanneer je de schuldige niet waarschuwt, dan vraag ik jou daar rekenschap over.” 

We moeten gewoon voor onszelf erkennen: iedere man of vrouw onder ons moet voor zijn gedrag verantwoordelijkheid opnemen, daar kunnen we niet te buiten en dat is voor ons allemaal begrijpelijk. Maar wat er vanuit ons geloof bijkomt is de opdracht en de plicht om onze broeders en zusters de juiste weg te tonen, hen in de letterlijke zin van het woord „terecht te wijzen“ – en daar zijn wij ons niet altijd van bewust. 
Jezus zegt ondubbelzinnig: „ Ga naar je broer toe!“ En daar bedoelt Hij mee: Je mag hem niet van bovenaf zijn vet geven, maar wijs hem onder vier ogen terecht. In onze moderne taal noemen we dat Feedback. Een kritische beschouwing die je van anderen vraagt en of krijgt. Het eigen handelen wordt door de anderen kritisch doorgelicht en beoordeeld. Een dergelijke eerlijk gemeende feedback kan goud waard zijn. Het geeft me persoonlijk de mogelijkheid om mijn handelen te overdenken en eventueel ook aan te passen. Wanneer we er ook maar even over nadenken hoe dikwijls wij zelf soms kritiek uitoefenen, of op de kritiek van de anderen reageren, worden we ons dat veel beter bewust. Wanneer iemand je van boven uit aanspreekt en zegt: “Dat zoudt ge toch moeten weten..“ belerend dus, betweterig of zelfs moraliserend, dan leidt dat doorgaans tot niets, ten hoogste dat je dan woedend bent op die criticaster.  Ik voel me wel anders wanneer iemand me onder vier ogen zegt: „ Zeg, luister eens, het is me opgevallen dat…”  of ook nog „ Het valt me zwaar om je dit te moeten zeggen…“  In dergelijk woordgebruik herken ik een liefdevolle bekommernis om mijn persoon en heb ik de vrijheid om mezelf te corrigeren. En daar komt het toch in wezen op aan: op de liefdevolle bekommernis tegenover de andere en om de vrijheid die ik hem laat.   

Een dergelijke broederlijke terechtwijzing is voor een goede samenleving in beroep en gezin, in Kerk en maatschappij echt noodzakelijk. Open en eerlijk met elkaar praten, dat is het waartoe het eerste deel van het evangelie ons vandaag uitnodigt. Maar wat komt er dan? “Luistert Hij naar je” zo staat er verder, „dan heb je je broer terug gewonnen. Luistert hij echter niet naar je, neem dan twee mannen mee… Luistert hij ook niet naar hen, zeg het dan aan de gemeente. Als hij dan ook nog niet luistert, dan mag je hem behandelen als een heiden of een tollenaar!” 

Op het eerste ogenblik sta je dan met verstomming geslagen. Mag je zo met mensen omgaan? Zijn dat de spelregels in een christelijke gemeenschap? En voeren we daarmee alles wat voorheen reeds werd gezegd „ad absurdum?”  Mattheus legt Jezus hier woorden in de mond die op het eerste gezicht zeer drastisch en weinig barmhartig of verzoenend klinken. Wie Jezus maar oppervlakkig kent zou het kunnen interpreteren als: “Als het allemaal niet helpt, gooi hem dan maar buiten en breek alle contact met hem af.” 

In de loop van de kerkgeschiedenis vormde juist deze zin dan ook de aanleiding om mensen heel bewust uit de kerkgemeenschap uit te sluiten. “Anathema sit” – “hij zij uitgesloten” gold vanaf de vierde eeuw voor iedereen wiens geloof als afwijkend van het ware geloof werd ervaren. Wat bedoeld was als zeer uitzonderlijke maatregel, noodzakelijk voor het behoud van de eigen kerkelijke identiteit, werd na enige tijd een echte strijdformule tegen iedereen die binnen de kerk  kritiek uitoefende of er vernieuwende ideeën op nahield. Pas het tweede Vaticaanse concilie en het nieuwe kerkelijke recht uit het jaar 1983 hebben aan die praktijken een einde gesteld. Vanaf toen stond meer de Bijbelse gedachte van Communio, van de gemeenschap van alle gelovigen, op de voorgrond. En dat is maar goed ook. Want Communio, gemeenschap, veronderstelt toch altijd communicatie, zich verstaanbaar maken, gesprek en dialoog. Met gemeenschapsgedachte, die voor Jezus toch zeer belangrijk was, in mijn hoofd herken ik in zijn woorden in het evangelie van vandaag alleen maar afbreken van dialoog en uitsluiting. , gemeenschap, in mijn hoofd, een Of anders gezegd: Gemeenschap vereist communicatie, geen uitsluiting. Maar Jezus zelf heeft toch gedurende zijn ganse leven tollenaars, zondaars en heidenen niet alleen geaccepteerd, maar hij heeft hen nagelopen om hen in de gemeenschap op te nemen of terug te halen. Zijn bijzondere zorg en liefde ging juist uit naar al die zogenaamde „zwarte schapen“ van de maatschappij. Zou het dan niet mogelijk zijn dat wanneer Hij zegt: „dan mag je hem behandelen als een heiden of een tollenaar“, dat Hij ons dan geen aanwijzing geeft om die persoon uit te sluiten, maar veeleer om hem nog veel intensiever te omringen met onze liefdevolle zorg en belangstelling.  

Eén zaak is voor mij zeer duidelijk: Jezus moedigt ons aan om met open vizier een dialoog aan te gaan. Hij is er nooit voor teruggedeinsd om iemand een gele kaart te tonen: zoals hij vorige zondag bij Petrus deed toen Hij hem zei: “Weg van mij!” Maar een rode kaart, in de betekenis van een afbreken van een dialoog of een totale uitsluiting, zo’n rode kaart heeft Jezus nooit getrokken. En voor ons allemaal zou dat toch ook genoeg reden moeten zijn om ook in onze eigen gezinnen, in ons beroep, en vooral ook in onze Kerk, niemand ooit te snel een gele, of zelfs een rode kaart onder de neus te houden.  Amen.