23e zondag door het jaar A (2001)

Verleden week hoorden we de profeet Jeremia zeggen: “Soms denk ik: Ik wil er niets meer van weten, ik spreek niet meer in zijn Naam. Maar dan laait er een vuur op in mijn hart, het brandt in mijn gebeente. Ik doe alle moeite om het in bedwang te houden maar het lukt me niet.” Vandaag horen we hoe God tot een andere profeet, tot Ezechiël, zegt: “Gij, mensenkind, als wachter heb Ik u aangesteld over het volk van Israël. Hoort gij een woord uit mijn mond, waarschuw hen dan namens Mij!”

 

Profeet zijn is niet zonder gevolgen, niet zonder verantwoordelijkheid. Wanneer je in dienst van God staat, kun je je niet zomaar daaraan onttrekken. Doe je dat wel, dan is er een kans dat je net als Jona hardhandig in het diepe belandt.

 

Misschien denkt u, wat zegt dit over ons gewone stervelingen, wij zijn toch geen profeten? Maar dat is niet zo, tenminste niet voor mensen die gedoopt en gevormd zijn. Soms denken we te licht over wat leken voor taken en verantwoordelijkheden hebben. En inderdaad, in het verleden leek het er soms op dat als je geen priester was, je weinig verantwoordelijkheid hoefde te dragen voor de Kerk. Maar dat was in het begin niet zo. In het begin, in de tijd van de eerste Christenen, waren de gelovigen zich juist zeer bewust hoe zij geroepen waren tot Gods volk. Koningen en priesters wisten ze zich, profeten voor het gewone leven. Kerk-zijn vieren we niet alleen hier in dit Kerkgebouw, het gaat er vooral om wat we er daarbuiten mee doen.

 

Vandaag gaat het over vergeving, dus over zonde, over ruzie en dus over verzoening. Het is een heel realistisch verhaal. We kunnen daarbij denken aan oudere verhalen zoals de ruzie tussen Kaïn en Abel, die eindigde in de moord op Abel, de broedermoord, de eerste moord in de mensengeschiedenis. Als God Kaïn dan aanspreekt over Abel, zegt Kaïn: “Ben ik soms mijn broeders hoeder?” En daar zit hem de kneep, inderdaad wij zijn elkaars hoeder. God vraagt ons oog voor elkaar te hebben en te houden. Maar niet een gemakkelijk oog, juist als iemand afdwaalt van de weg die Christus ons wijst, de weg van het Evangelie, de navolging, dan vraagt Hij ons naar die ander toe te gaan.

 

Dat was tweeduizend jaar geleden moeilijk, dat was een paar eeuwen geleden moeilijk en dat is nu nog moeilijker, want we leven in de tijd van de privacy. Het is inmiddels wel een heel vreemde privacy, want kijken we naar de TV dan ligt soms alle privacy op straat. Dat zien we ook op Internet met YouTube-filmpjes of bij het gekwebbel via de mobiele telefoon in de trein. We zien een heel dubbelhartige houding tegenover privacy. Misschien is het nog wel meer een soort doorgeschoten autonomie. Ik bepaal zelf of ik mijn privéleven wel of niet etaleer. Daar hebben jullie niets mee te maken.

 

Augustinus heeft dat al in zijn tijd gesignaleerd. Hij spreekt dan over allerlei afwijkende stromingen. “Misschien zeggen jullie, maar wij willen dwalen. Wat hebben jullie daarmee te maken. Ja, dat gaat ons aan, zegt Augustinus, want jullie zijn onze broeders en zusters.”

 

In onze tijd is die houding nog een graad erger. Wie ben ik dat ik een ander op zijn of haar fouten wijst? Zou ik kunnen bepalen dat iets goed of slecht is? Maakt ieder dat niet zelf uit? We zitten midden in die crisis van onze cultuur. De paus noemt dit het relativisme. In zijn ogen is het relativisme een van de grote kwalen en dwalingen van onze tijd, erger dan individualisme. Relativisme is een tijdgeest, een denktrant die je ongemerkt meekrijgt, waarvan je je niet bewust bent maar die wel jouw denken mee richting geeft. Wat zegt het relativisme? Het zegt: Er bestaan geen absolute waarheden. Je kunt niets zeker weten. Goed en kwaad zijn relatief, ja alles is relatief.

 

Relativisme is daardoor ook een open deur voor de emotiecultuur, waarin ik alles kan vinden wat ik ervan vind, logisch of niet, ook zonder kennis van zaken. En juist op het vlak van het geloof lijkt dit hoogtij te vieren.

 

Hoe kan ik dan nog naar mijn naaste toestappen om te zeggen dat iets niet goed is? Ik krijg alleen als antwoord: Waar bemoei je je mee?

 

Is daarmee dit Evangelie uitgepraat, achterhaald en zinloos? Nee, want het gaat nog steeds om mijn broeders en zusters, het gaat nog steeds om kinderen van God die van God afdwalen. Daarbij spreekt Jezus ook over de balk in ons eigen oog waar we eerst aan moeten werken voordat we ons bemoeien met de splinter in het oog van de ander. Vanuit een ander gezichtspunt geeft Jezus ons ook het verhaal van de verloren zoon. Soms moeten mensen een eigen weg gaan, je kunt ze niet tegenhouden en je kunt ze ook niet sparen voor veel ellende en verdriet. Je kunt alleen maar klaar staan om ze, als ze zover zijn en terug willen komen, op te vangen. Zo toont Jezus ons God als de barmhartige Vader, ons voorbeeld. Het betekent dat ik wegen moet blijven zoeken, tactvol, liefdevol, geduldig.

 

We zijn profeten, we zijn geen waarzeggers of toekomstvoorspellers. Profeten zijn sprekers van waarheid, die Gods Woord doorgeven. En al hebt u geen wijding ontvangen voor de verkondiging en de bediening van de sacramenten, iedere volwassene, man of vrouw, die gedoopt en gevormd is heeft een taak in de wereld, een heel belangrijke taak. Iedere gelovige is automatisch ook missionaris in een wereld die God kwijt is geraakt.

 

Schrik er niet van terug. We doen het samen. En denk aan zijn belofte, u staat er niet alleen voor. Hij is bij u. Bid en vraag om zijn hulp: Wanneer twee van u eensgezind op aarde iets vragen - het moge zijn wat het wil – zullen zij het verkrijgen van mijn Vader die in de hemel is. Want waar er twee of drie verenigd zijn in mijn Naam, daar ben Ik in hun midden.” Amen.