De Christus is de Mensenzoon (2005)

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 121 niet laden

Het evangelie van vorige zondag eindigde met Jezus’ verbod: voort te verlellen dat Hij de Christus (de Messias) was. Die naam heeft Jezus altijd vermeden. Dat woord was in die tijd politiek besmet en daarom gevaarlijk. De toehoorders zouden het verkeerd hebben begrepen. De Christus moest  volgens de vigerende opvatting de held zijn, die de Joden van de Romeinen gewapenderhand zou bevrijden.  Maar dat werd het grote misverstand dat een constante  zou worden in Jezus’ leven.

1. Eens op het feest van de tempelwijding in Jeruzalem kwamen de Joden  om Hem heen staan:  “Hoelang houdt Gij ons nog in spanning ? Als Gij de Christus (Messias) zijt, zeg het ons dan ronduit.” (Joh 10,24). Die spanning zal aanslepen tot voor de hoge raad bij de hogepriester Kajafas: “Ik bezweer U…Zeg ons of Gij de Christus zijt, de Zoon van God ?” En Jezus antwoordde: “Dat woord gebruikt gij. Maar Ik zeg u: ge zult de Mensenzoon zien komen…” (Mt 26, 63-64). En dan weer voor Pilatus: “ Zijt Gij koning (de gezalfde, de Christus) ?” En opnieuw moest Jezus corrigeren: “Mijn koningschap is niet van deze wereld,… is niet van hier.” (Joh 18,33-36). Hij verkoos het woord “Mensenzoon”, iemand wiens macht boven alle wapengekletter de kracht van de liefde uitstraalt. Zijn Christusrol zag Hij heel anders dan de mensen dachten, en anders dan zijn eigen leerlingen verwachtten. Daarom  werd Petrus, die het niet begreep, vandaag een  “verleider”.

- Duidelijk  zegt Jezus nu tot zijn leerlingen dat Hij op weg moest naar Jeruzalem, waar Hij veel zal moeten lijden. “De Mensenzoon zal worden overgeleverd…” (Mt 17,22) - “Moest”. Het woord “moeten”  komt steeds terug in dit evangelie. Het steekt zijn kop later weer op in de dialoog van Jezus met de Emmaüsgangers: “O onverstandigen, die zo traag  van hart zijt in het geloof… Moest (!) de Messias dat alles niet lijden om in zijn glorie binnen te gaan?”  (Lc 24, 25-26)  Elders zegt Hij dat Hij  er heengaat op het uur door de Vader bepaald,  niet op het uur dat mensen zouden willen.

2. Dat woord “moeten” heeft een bijzondere bijbelse betekenis. Het gaat niet om een noodlot noch fataliteit. Het gaat evenmin om een sadistische god die zich zou verkneukelen in de folteringen van zijn uitverkorene. Het verwijst naar de logische consequentie van iemand die liefheeft. Wie liefheeft zal lijden. De liefde drukt zich altijd gaandeweg uit in iets dat bij ons lijden heet. God die Liefde is, heeft in de menswording aan zijn Zoon precies de totale Liefde gevraagd tot “bevrijding” van de wereld,  Liefde die onvermijdelijk lijden en dood  met zich meebrengt. Het  woord “moeten” verwijst  naar die ondoorgrondelijke logica van God. Het lijden draagt een groot mysterie dat wij in zijn diepte niet vatten. Er is een lijden dat als het omhulsel is van een zeer grote herscheppende liefde, als de buitenkant van een veel dieper gebeuren, de barensweeën van nieuw leven, van hét Leven.

- En dat zal ook de weg zijn van wie Jezus in liefde wil volgen. We staan weerbarstig tegenover het lijden. Het lijkt helemaal zinloos. Graag plooien we het evangelie af naar wat ons lief is en humaan. Indien we  echter uit het evangelie enkel dat halen wat ons past en aangenaam is,  verwerpen wij het evangelie. Het kruis blijft een uitdaging. We moeten onze kruisen niet zelf zoeken of kiezen. “We zouden een kruis uitkiezen op de maat van onze vermeende edelmoedigheid. We zouden een goed zichtbaar en roemrijk kruis uitkiezen” (Dom A. Louf).  Het ware kruis wordt ons aangeboden op de weg van de liefde.  En wie zijn leven om Jezus verliest, die wint het.    

3. Er is tenslotte een uitspraak van Jezus die ons verbaast: “Wanneer gij de Mensenzoon omhoog zult hebben geheven, dan zult ge zien dat IK BEN…” (Joh 8,28). “Ik ben” is de naam van God. In de gekruisigde ontdekken we Jezus’ ware gelaat. We leren er in Christus ook de Vader kennen.  Een nieuw begrip van macht in de machteloosheid van de gekruisigde. De mateloosheid van de Liefde in lijden uitgedrukt. “We moeten naar Golgota om te weten Wie Hij is” (P. Schmidt).  Juist onder het kruis zegt de honderdman: “Deze was waarlijk Zoon van God.”-  Pas in de verificatie van Jezus’ wonden heeft Thomas in de Verrezene  God zelf herkend: “Mijn Heer en mij God” (Joh 20,28), orgelpunt van het Johannesevangelie. -  En de H. Augustinus laat de goede moordenaar op zijn kruis zeggen: “Ik heb de schriften niet gelezen, de profetieën niet bemediteerd; maar Jezus heeft mij bekeken, en in zijn blik heb ik alles begrepen.” In de ogen van de stervende ‘Mensenzoon’  heeft hij de glans van de ware ‘Christus’ aanschouwd.

- Het lijden is noch doel noch eindpunt. Goede Vrijdag bloeit open in Pasen. Jezus zegt ons vandaag: “De Mensenzoon zal komen in de heerlijkheid van zijn Vader.” - “Het Woord is vlees geworden (aan lijden onderworpen)… en we hebben zijn heerlijkheid aanschouwd .”( Joh 1, 14)  Dat horen we nog steeds in die oude christelijke hymne: “Hij heeft zichzelf vernederd door gehoorzaam te worden tot de dood, tot de dood op het kruis… En daarom heeft God Hem zeer verhoogd…”  (Fil. 2, 8-9)  -  In de koepel van de kathedraal van Ravenna zien we de verheerlijkte Christus, het kruis in de hand;  en in de kerk van St.-Apollinaris aldaar is in de Transfiguratie de witglanzende Christus vervangen door een lichtend kruis met fonkelende edelstenen.