Opstand of Afstand (2008)

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 198 niet laden

VADER EN ZOON

Een dreumes van een jaar of drie staat met gebalde vuisten voor zijn vader. Hij stampt op de grond en er springen tranen uit zijn ogen. Met geknepen stem krijst hij tussen de snikken door: ‘Ik haat jou! Ik wou dat je dood was....!' De adem stokt pappa in de keel. Hij had alleen maar gewild dat zijn lieve oudste zoontje met de vingers uit de vla bleef.

 

GOD EN MENS

Zo'n haat-liefde verhouding vinden we in de bijbel tussen mens en God. De eerste lezing van Jeremia is er een voorbeeld van. Jeremia is verschrikkelijk boos op God. Hij schreeuwt het uit. Hij beschuldigt God ervan dat Hij hem met valse voorwendselen tot profeet heeft geroepen. Hij vervloekt zijn geboorte. ‘Bestond ik maar niet! Was ik maar niet verwerkt!' En wij, de lezers, wij kunnen alleen maar jaloers zijn op die boosheid, want moderne mensen worden zelden boos op God. Eerder vallen we van ons geloof af, dan dat we Hem uitschelden - eerder verlaten we Hem, dan dat we Hem verwijten maken. Van de dreumes en van Jeremia kunnen we leren dat we beter de Vader eens flink kunnen vervloeken dan Hem verlaten.

 

DE KONING EN JEREMIA

De stad Jeruzalem wordt bedreigd door Babylonische legers, maar de koning weigert zich over te geven. Hij rekent erop dat Egypte hem zal helpen, en de vijand niet zo dicht bij zijn eigen grenzen zal laten komen. Jeremia is een telg uit het priesterlijk geslacht. Hij is gegrepen door God. Zijn landgenoten vindt hij schijnheilig. Ze brengen allerlei offers in de tempel, maar in het land heerst onrecht en armoede. Hij gaat fulmineren tegen de offers. Daarop wordt hem de toegang tot de tempel ontzegt. Wanhopig zoekt hij gehoor en hij gaat stunten. Op zekere dag pakt hij een prachtige vaas uit de tempel en tilt hem boven zijn hoofd op. Nieuwgierig volk dromt samen. ‘Is dit geen mooi staaltje Joods handwerk? Kijk, deze vaas, dit is Israël!' Daarop smijt Jeremia de vaas voor de voeten van zijn opgewonden publiek in gruzelementen. ‘Zo zal God met Israël doen.' Jeremia wordt opgesloten. Men wil hem niet geloven. De Babylonische legers rukken op. Jeremia pakt een houten juk, legt het op zijn schouders en loopt ermee door de stad. Een concurrerende profeet hakt het juk kapot. God zal zijn volk niet vernederen, is zijn boodschap. Jeremia maakt een ijzeren juk en loopt verder.

 

VLOEKEN

De stad wordt belegerd. Koning Sedekia ziet hoe de sombere voorspellingen van de profeet steeds meer bewaarheid worden. Eten en drinken worden schaars. Plunderingen, besmettelijke ziektes kwellen de bewoners van de stad. Tijdens een adempauze in de belegering verlaat Jeremia de stad. Hij wordt gearresteerd. De officieren van Sedekia beschuldigen hem van desertie. Jeremia wordt in een put geworpen. Hij zou daar verhongerd zijn als Sedekia niet door iemand op de hoogte was gesteld. Aan zijn gevangenschap komt pas een eind als de stad wordt ingenomen.
Jeremia streed met heel zijn fantasie, met alle overredingskracht, vindingrijkheid en poezie, tegen de laksheid van zijn volk. Hij zag het gevaar naderen. Hij wilde de vernietiging van de tempel voorkomen, maar hij wordt door zijn familie verstoten. Zijn vrienden schamen zich voor hem. Zijn volk lacht hem uit en zijn overheid zet hem keer op keer gevangen. Waar kennen we dit verhaal toch van? Hoeveel vechters van mensenrechten worden niet getreiterd en gemarteld? Hoeveel klokkenluiders voelen zich niet door iedereen verlaten? Jeremia is ten einde raad. Hij heeft het opgenomen voor God en nu laat God hem in de steek. De schreeuw van Jezus aan het kruis vindt hier een voorbeeld: ‘God, waarom hebt ge mij verlaten?'

 

VERZOENING

Het vloeken van Jeremia heeft zin gehad. Als hij zijn gal gespuwd heeft, kalmeert hij. Hij heeft nieuwe kracht gevonden en gaat verder met zijn missie.
Het vloeken van de dreumes heeft zin gehad. De boosheid is in een aandoenlijke huilbuit overgegaan. Pappa heeft hem opgepakt en getroost. Daarom kun je beter schelden en vloeken dan weglopen.
Wie zoveel kwaad heeft ervaren dat hij verschrikkelijk boos is op God, laat hem de vloekpsalmen uit de bijbel maar eens lezen, want je kunt beter eens flink boos op God worden dan dat je Hem verliest.

DE GROTE JONGENS

Lieve kinderen. De school was al tien minuten uit. Van de straat kwam enkel nog het geluid van een verre fietsbel en een giechelend groepje meiden. Vlak bij het hek stonden grote jongens. Ze begonnen de bal keihard tegen de muur te knallen, zodat het gebouw ervan daverde. De juffrouw keek naar buiten. In de klas was Bauke nog zijn werk aan het afmaken. ‘Ach Bauke, doe me een plezier', zei de Juf. ‘Dan kun je met je werkje stoppen! Loop even naar die jongens en zeg dat ze die bal niet tegen de gevel mogen trappen.' Bauke deed blij zijn werk in het kastje en rende naar buiten. Daar stonden vijf grote jongens. Een van hen was Jochem. Bauke werd bang. ‘Hé!', riep hij flink. ‘Jullie mogen die bal niet tegen de gevel knallen!' De jongens trapten gewoon verder. Ze letten niet op de kleine. Bauke liep een paar passen dichterbij en ging tegenover de kleinste van de grote jongens staan en riep zo hard als hij durfde. ‘Jullie moeten ophouden met de muur kapot maken, zegt de juf!' Nu hielden ze op met trappen. Ze kwamen alle vijf in een kring, dreigend op Bauke af. ‘Zo', zei Jochem terwijl hij zijn rechtervuist in zijn linkerhandpalm sloeg, ‘zo, wat heeft dit manneke ons te vertellen?' Bauke deed het bijna in de broek van angst. Zijn lip begon te pruilen. ‘De kleuter begint te janken!', spotte iemand. Toen ineens, hoorde hij de stem van de juf. ‘Heren, ik had Bauke gestuurd om jullie vriendelijk te verzoeken ergens anders te gaan voetballen.' ‘Tuurlijk, Juf! Grapje Juf!' De jongens slenterden gemoedelijk weg en Bauke haalde opgelucht adem.