22e zondag door het jaar A (2008)

Het wereldberoemde schilderij De Schreeuw van Edvard Munch verbeeldt de mens in de ontmoeting met zijn lot. Groots en dramatisch kan het leven zich voordoen. Geluk en ongeluk, leven en dood, toekomstperspectief of uitzichtloosheid, het overkomt ons, onvoorspelbaar, onontkoombaar, onafwendbaar.
Als een purperrode hemel, zo heeft de schilder het weergegeven, prachtig, dramatisch, verwonderlijk, bedreigend hangt het lot boven ons. En voor ieder ongelijk. Terwijl de één getroffen wordt door ontzetting, van geluk, of van bedreiging of uitdaging, blijft een ander gespaard, onaangedaan. Maar morgen kan die ander de hoofdfiguur van de afbeelding zijn.
Wat heeft de mens als antwoord, als middel om zijn leven steeds weer in te stellen op wat zich voordoet, om zijn leven te kunnen leven, te kunnen behouden?
Het lied dat we zojuist zongen zet net zo groots en dramatisch in als het schilderij van Edvard Munch: Woord dat als purperrood bloed uit de hemel tot ons komt. Groots, beangstigend, beklemmend.
Wat is dat voor woord waar de lieddichter op doelt? Een allesomvattende levensbeschouwing? Een ideaal dat je helemaal in zijn greep krijgt? Een streven waar je geld en tijd, ja zelfs je eigen leven voor wilt inzetten?
Grootse beelden, grootse gedachten: daar schrikken we van, daar schrikken we voor terug.
Wij zijn niet zo van het fanatieke. We zijn moderne, bedachtzame en verstandige mensen, bereid om naar elk woord te luisteren, te beoordelen op zijn redelijkheid, en er eventueel mee in te stemmen. Maar we hoeden ons voor fanatisme. Dat hebben we wel geleerd uit de geschiedenis, dat religieus , ideeel fanatisme alleen maar tot ellende lijdt.
De dichter van het lied is natuurlijk net zo weldenkend als wij, en gaat in de tweede regel meteen over op een heel andere beeldspraak: Het woord gaat onderhuids kloppend, en zo groeikracht gevend, en liefde als een zachte dauw. Dat klinkt ons al veel redelijker in de oren. Een onderhuidse stroom, die ons helpt te zijn waartoe we gemaakt zijn: prachtige mensen, bloeiend in liefde voor elkaar. Wie heeft daar geen behoefte aan? Wie zou dat willen afwijzen?
Maar het woord dat we vandaag hoorden uit de mond van Jezus is duidelijk van het eerste soort: een radicale keuze wordt ons voorgelegd. Wie mij wil volgen moet zichzelf verloochenen, want wie zijn leven wil bewaren, die zal het verliezen, maar wie het verliest ter wille van het koninkrijk der hemelen, die zal het vinden.
Een uitnodiging, een aansporing om jezelf, je eigen wensen en behoeftes in te leveren , je eigen bestaan zelfs, op het spel te zetten.
Kunnen we dat en willen we dat? Zijn wij geschikt om een held of een heilige te zijn?
Misschien was Jeremia een held of een heilige. In ieder geval was hij een soort politieke dissident in een koninkrijk waar onrecht en decadentie aan de orde van de dag waren. Hij was in bijbelse termen dus een profeet, en dat wil zeggen dat hij onophoudelijk bleef zeggen aan het volk en aan de koning wat er niet deugde in het land. Dat er een eind moest komen aan onrecht en onderdrukking. Dat werd hem niet in dank afgenomen. De koning zette hem een poosje gevangen, en toen hij weer vrij kwam werd hij uitgelachen door vriend en vijand.
En dan zegt hij, wat we zojuist gelezen hebben.
Soms denk ik : ik wil er niets meer van weten, ik stop met dat spreken in de naam van Hem.
Maar dan laait er toch weer een vuur op in mijn hart, ik doe alle moeite om het in bedwang te houden, maar het lukt me niet.
Mensen als Jeremia zijn er ook nu, mensen die zoeken naar recht voor de verdrukte, voedsel voor de hongerige, zorg voor de behoeftige. Die hun eigen leven daarvoor in de waagschaal stellen.
Soms hebben ze een naam die in de media genoemd wordt, maar de meeste zijn gewone mensen, zoals wij. Mensen die het woord hebben gehoord, en er niet omheen konden om er naar te luisteren.. Kwam het woord als purperrood bloed uit de hemel ? Het klopt in ieder geval in hun aderen. Zoals het in ieders aderen klopt en ons in staat stelt mens te zijn zoals we bedoeld zijn. Ik denk dat het woord leeft in onszelf, ons is meegegeven vanaf onze oorsprong.
Welk woord gaat het over? Het woord dat we kennen als de naam van God: Ik zal er zijn.
Dat woord is een naam, een belofte en een opdracht tegelijk.
Elke zondag komen we hier bij elkaar om het woord hardop te noemen, te bezingen, te bevragen, en zo elkaar er aan te herinneren, als een wachtwoord: weet je het nog?
Dat woord, die naam, Ik zal er zijn. Bonst het nog in je hoofd? Klopt het nog in je hart?
Geeft het nog zuurstof in je aderen? Spreekt het nog je gedachten aan? Doet het nog je mond spreken, je handen doen en je voeten gaan?
Alles wat ons leven maakt, wat ons overkomt, ons verleden, onze toekomst, ons lot, als purperrood bloed uit de hemel kan het zich aandienen. Dat het vergezeld gaat van een woord, het woord vanuit het begin, het woord van God, dat is wat we hier aan elkaar willen zeggen.
Als redelijke, bedachtzame mensen horen we naar dat woord, alles overwegend, alles toetsend aan de vraag: wat betekent dat voor mij.
Als we dan ooit in ons leven, op een punt komen waarop we een radicale keuze kunnen of moeten maken, waarbij ons eigen hebben en zijn in het geding komen, dan hoop ik, dat er een vuur is dat oplaait in ons hart, en dat ons helder voor ogen zal staan wat het woord ons te zeggen heeft en van ons vraagt: Ik zal er zijn.