Gij zijt mij te sterk

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 233 niet laden
Het is vreselijk in het leven alleen te staan. Het is vreselijk alleen te staan omdat je iemand verliest, een geliefde, de helft van jezelf. Het is vreselijk alleen te staan omdat je niet wordt begrepen. Het kan ook vreselijk zijn als je profeet bent en niemand die nog naar je luistert. Dat is vandaag het verhaal van Jeremia. Of mogen we dat lezen als een gebed?

Jeremia is altijd al een klager geweest, een mens die last had met zijn opdracht maar die het toch deed. Moedig ondanks zijn angst. Angstig maar net niet laf. Hij nam zijn verantwoordelijkheid. Hij trad op en hij sprak in Gods naam, hoewel hij dat nooit had gezocht. Hij kon niet anders dan onpopulaire maatregelen te treffen. Hij kon niet anders dan tegendraads te zijn en radicaal. Meestal hebben radicale mensen de helft tegen zich maar toch ook de helft vóór zich. Zij verdelen hun gehoor, zoals men zegt. Maar hier is het erger: Jeremia heeft niemand meer, geen mens meer die voor hem is. Geen enkele medestander, alleen maar tegenstanders.

Zo staat hij daar dan: alleen met in zijn hart een opdracht van God. En God is per definitie altijd ver. Met die verre, veeleisende God moet hij het nu stellen. De mensen hebben hem kwalijke namen gegeven. Achter zijn rug roepen ze: daar is hij weer de triestige onrustzaaier. Als hij het woord neemt, wordt hij onderbroken: je kan nooit eens iets zeggen wat goed is, altijd gaat het over geweld en corruptie! Heb je echt niets beters te zeggen? Kan je nooit eens een mooi liedje zingen? Je bederft onze levensvreugde.

En zie, de profeet wordt moe. Hij wordt het moe. En hij gaat zuchtend vóór God staan. En, als je het stuk helemaal leest, zegt hij tegen God, wat mensen tegen hem zeggen: dat Hij namelijk ook zijn levensvreugde bederft. Hij wil het opgeven en vraagt zich af waarom hij toch werd geboren. Was hij maar in de schoot van moeder thuis gebleven! Hij zal niet de eerste en ook niet de laatste mens zijn die dit gezucht zal uitspreken. Maar wees er zeker van: als een mens dit uitspreekt, gaat het heel, heel slecht met hem. Als hij geen toekomst meer ziet, grijpt hij terug naar zijn verleden. Dat doet Jeremia dus ook. Hij spreekt even in termen van worsteling en gevecht: Gij hebt mij in de val doen lopen, Ge hebt mij overvallen en overweldigd. Gij hadt me beter iets anders gevraagd. Gij hadt me beter anders gemaakt.

Maar, ik kan niet meer anders. Gij hebt een vuur in mij aangestoken. Gij hebt in mij iets gewekt wat niet van mij is. Gij zijt mij te sterk. Ik geef het toe. Ik kan niet anders dan gehoor-zaam zijn en wakker worden telkens opnieuw bij het vuur dat in me brandt. Gij hebt het in mij aangestoken en ook al zou ik het willen doven, ik kan niet anders dan mij gewonnen geven. Gij hebt mij gewond en ik kan niet anders dan verder leven met die wonde. En wachten op het uur dat het een zoete wonde wordt. Uw wonder in mij!

Dat gebeurt telkens opnieuw als de profeet zijn mystieke bodem voelt. Deze zoete pijn is al eeuwenoud.