Waar gaat Gij heen, Heer?

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 233 niet laden
Een klein voorval uit de tijd van de krijgsgevangenen. De soldaten gingen doodmoe de laatste kilometers van hun dagreis, midden door de bergen. Toen stelde zich, zonder na te denken, een soldaat midden op het smalle pad, zodat de uitgeputte mannen een omweg van een paar stappen moesten maken. Plotseling snauwde iemand zijn kameraad toe: uit de weg! Hij schreeuwde alsof hij kwaad was, maar eigenlijk riep hij alleen maar omdat hij helemaal aan het einde van zijn krachten was. Een heel gewoon gebeuren, maar het helpt me om te begrijpen waarom Petrus vandaag in het evan¬gelie zo aangesnauwd wordt. Als we dit evangelie lezen blijven we stilstaan bij het woordje 'satan'.

Er is toch werkelijk niets duivels aan de goede Petrus te ontdekken. Hij zegt alleen maar een goed gemeend en eerlijk woord. Wij kunnen het niet vergelijken met de Judaskus en het verraderlijk woord in de Olijfhof. Jezus spreekt die Judas dan nog aan met 'vriend', en hier wijst Jezus deze goedmenende vriend Petrus, als een duivel van zich af. De verklaring van dit buitengewoon hard woord moeten wij meer bij Jezus zoeken dan bij Petrus, die zich door menselijke overwegingen liet leiden. Hij heeft zeker niet kun¬nen vermoeden dat zijn goed bedoeld woord het midden trof van een open zielenwonde, en dat hij zo Jezus in de weg stond, die met inspanning van al zijn krachten zijn zware lijdensweg begon. Hij tot wie Petrus zo menselijk sprak, was zelf ook een mens. Hij was de mens die niet veel later in de Olijfhof, met bloedig zweet op zijn voorhoofd, de strijd ten einde streed. Wat Jezus hier 'zichzelf verloochenen' noemt, vond daar zijn weerklank in het 'niet mijn wil...'. Daar ging Hij tot aan het kruis de ware weg ten einde, die Hij hier voorzegd had. En de duisternis van Goede Vrijdag viel niet alleen over de berg, maar ook over de ziel van Jezus, zodat Hij uitriep: 'Mijn God, mijn God, waarom?' Juist in deze duis¬ternis keek Petrus. Hij heeft zich tot navolging bereid verklaard en daarom mag hij dan ook geen stelling nemen tegenover de weg die zijn Meester wil gaan. De weg van de Meester moet ook de leerling gaan. Zo kan Petrus zich het komen van het Rijk Gods niet voorstellen. Moet het Rijk Gods er zo uitzien, dat een on-schuldige vermoord wordt, dat Jezus onschuldig te gronde zal moeten gaan aan leugen en bedrog en verraad, en zou de leerling dat alles goed moeten vinden? 'Zo iets mag U nooit overkomen'. Neen, Petrus is geen satan, het is de stem van zijn liefdevol gemoed die hem zo doet spreken. En ook Jezus is van vlees en bloed en het kost hem bloed en zweet om deze lijdensweg te gaan. En terwijl Jezus het zelf al zo moeilijk heeft, gaat Petrus Hem nu juist in de weg staan.

'Wie Mij navolgen wil...'; het is waarachtig geen kleinigheid om volgeling te zijn van zulk een Meester. Dat moest Petrus weten en op die dag zal hij het nog niet begrepen hebben. Maar hij heeft het geleerd, wel eerst op Pasen, toen hij de heerlijkheid van Jezus zag. Dan gaat Petrus ook zijn weg in de duisternis van de tijd, die wij de apostolische tijd noemen. Wij houden die eerste tijd van de Kerk voor een heerlijke tijd, maar wij vergeten te vlug dat deze tijd een ongehoord zware tijd moet zijn geweest. Voor die eerste leiders van de Kerk was bijna elke stap een stap in het duister, een stap vanuit het geloof.

De legende verhaalt hoe Petrus in Rome tijdens de vervolging wilde vluchten. Hij liet zich weer eens leiden door menselijke over¬wegingen. Onderweg kwam hij Jezus tegen. 'Heer, waar gaat Gij heen?' Terstond werd het hem duidelijk dat hij weer eens van de weg van de navolging was afgeweken. Het is alles zo menselijk. En toch, omdat hij Jezus wilde volgen, zijn leerling wilde zijn, keerde hij op zijn stappen terug. De liefde tot Jezus heeft het bij hem steeds gewonnen. Hij heeft zijn meester gevolgd tot op het kruis. Het is waarachtig geen kleinigheid de Heer te volgen. Waar een mens door menselijke overwegingen zou zeggen: dat kan niemand van mij verlangen, daar begint eigenlijk pas de weg. Wij moeten ons allemaal afvragen of wij de betekenis en de richting van de navolging niet te zeer met menselijke maat meten. Naar mensen¬maat is de navolging niet te beschrijven. Zeker, ons geloof zegt dat het een heerlijke opgave is Jezus door de duisternis van de tijd en door de duisternis van ons eigen leven te volgen, maar die heerlijk¬heid kunnen wij met mensenogen niet zien.

De weg van hen die Jezus volgen, de weg van zijn leerlingen, de weg van de Kerk blijft in de duisternis. Wij kunnen de duisternis niet doorzien, maar Jezus, die met de zware last door de diepste duisternis ging tot het licht van zijn Vader, geeft ons vertrouwen. Wij hoeven eigenlijk maar één vraag te stellen: 'Quo vadis, Domme?' - 'Heer, waarheen gaat Gij met mij? - Ben ik nog op de goede weg?'