Wie het leven wil geven, die zal leven (2005)

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 538 niet laden
Als Petrus Jezus "Messias" noemt en "Zoon van God", zegt Jezus hem dat hij de rots is waarop Hij zijn kerk zal bouwen. Maar als Jezus zegt dat Hij naar Jeruzalem moet gaan en dat Hij daar veel zal moeten lijden en zelfs ter dood gebracht zal worden, is Petrus degene die zich hiertegen verzet. Omdat hij bezorgd is voor Jezus spoort hij hem aan niet naar Jeruzalem te gaan omdat hij weet dat Jezus daar gevaar loopt. In plaats van dankbaar te zijn voor zijn zorg, keert Jezus zich juist tegen Petrus, en maakt hem uit voor "satan" en "struikelblok".

Hoe kan "de rots" zo snel veranderen in een struikelblok, en wat kunnen wij hiervan leren?

De belijdenis van Petrus liet zien dat hij Jezus als de Messias zag, maar meteen daarna blijkt dat hij de consequenties niet overziet, of deze niet wil aanvaarden: dat het messiasschap betekent dat Jezus de lijdende dienstknecht (van) Israël is. Jezus is geen Messias doordat Hij feestelijk Jeruzalem binnentrekt, en met wuivende palmtakken ontvangen wordt, maar doordat Hij zich het leed van zijn volk, van Gods volk aantrekt en voor hen opkomt. Dat doet Hij door zijn aandacht en genezing voor de zieken, door zijn wijd open armen waarmee Hij al wie buitengesloten is, welkom heet in de gemeenschap, door in zijn woorden en gelijkenissen mensen aan het denken te zetten over de vanzelfsprekendheid van hun positie en van de maatschappelijke verhoudingen. Dat Jezus op deze manier niet alleen vrienden maakt, is iedereen duidelijk, ook Petrus. Voor de armen is Jezus een vriend, maar vele machthebbers zien in hem een gevaar.

Toen zijn neef Johannes de Doper werd gedood, week Jezus nog uit naar een eenzame plaats, maar vanaf dit moment buigt Jezus de koers radicaal om, en richt zich naar Jeruzalem. Hij kiest ervoor zijn leven in de waagschaal te stellen, in het volste vertrouwen dat dit de goede weg is en dat God hem niet aan zijn lot over zal laten.

Petrus nu wil verhinderen dat Jezus naar Jeruzalem gaat, maar daarmee verhindert hij hem ook om zijn weg van messiasschap te gaan, en doet daarmee uiteindelijk niet alleen Jezus, maar ook zichzelf en alle anderen, ook ons, tekort. Zo wordt Petrus, de rots(blok) tot struikelblok.
Petrus neemt hier de rol over van "satan", degene die Gods bedoelingen omdraait. Nadat Johannes hem had gedoopt, was Jezus al eens door de duivel beproefd. Ook die had hem herhaaldelijk "Zoon van God" genoemd, en hem aangespoord om gebruik te maken van zijn macht.
Nu wordt Jezus opnieuw beproefd. Petrus noemt hem "Messias" en "Zoon van God", maar wil hem niet naar Jeruzalem laten gaan, en opnieuw zegt Jezus: "Ga weg, satan." Jezus moet zijn eigen weg gaan, en ook bij hem is het een ontwikkeling om deze te vinden. Dit is een moment van keuze en van de beproeving van die keuze.

In een bepaald opzicht lijkt Jezus heel sterk op Jeremia, de profeet die als geen ander het lijden van zijn volk ook zelf aan den lijve heeft moeten ervaren. Het lijden van zijn volk, van Gods volk, is ook zijn lijden. Steeds opnieuw moet hij het in Gods naam opnemen voor het volk dat tekort gedaan wordt door de leiders, maar doordat hij steeds maar aanklaagt en aan het klagen is, keren zelfs zijn vrienden zich van hem af en wil niemand meer naar hem luisteren. Meer en meer heeft hij het gevoel dat alles voor niets is, want de ellende van het volk en van hemzelf gaat maar door.

In de eerste lezing klaagt Jeremia tegen God omdat hij het heel zwaar heeft. Hij vervloekt zichzelf zelfs: "Was ik maar nooit geboren!" Jeremia klaagt niet alleen tegen God door zijn hart uit te storten, nee, hij klaagt God zelfs ook aan, waarbij zijn klacht zich toespitst op twee zaken:
op het leed dat Jeremia zelf moet verduren: "Jij, onbetrouwbare, Jij hebt mij in deze positie gebracht, tegen mijn wil. Je hebt me verleid."
en op het leed dat het volk ondergaat: "Jij van wie ik heb moeten zeggen dat Je onschuldigen en zwakken verdedigt en de schuldigen straft; waar ben Je nu?!"
Of Jeremia nu gelijk heeft of niet, of hij nu terecht God aanklaagt of niet, feit is dat hij het zó beleeft, en dat hij dit uitspreekt, en dat dit mag.
Het is mijn ervaring dat veel mensen die het nodige te verduren hebben,
toch het gevoel hebben dat ze niet mogen klagen, en al helemaal niet tegen God. Nu snap ik best dat je niet als een ouwe zeur wilt overkomen en dat niet iedereen altijd even openstaat voor jouw aanhoudende klachtenlitanie, en ook voor jezelf is het misschien niet verstandig om je blind te staren op het negatieve, maar soms kan het opluchten om je hart uit te storten en erkenning te krijgen voor jouw leed, en dan is het helemaal niet zo'n slecht idee om je open en eerlijk tot God te richten, zonder een blad voor de mond te nemen, want waar het om God gaat, denk en zeg ik altijd: God kan wel tegen een stootje.
Hopelijk helpt zo'n eerlijk gebed ons ook om een helderder zicht te krijgen op onze levensweg, en om kracht te vinden om die weg te gaan, zoals Jeremia spreekt over het vuur dat dan brandt in zijn hart, dat hij niet in bedwang kan houden.

Ook Jezus móet zijn weg gaan, die naar Jeruzalem leidt. En Petrus moet leren die weg mét hem te gaan. Loon naar werken zal er pas zijn bij de komst van de Mensenzoon, bij het volledige doorbreken van Gods koninkrijk. Dat toekomstperspectief kan helpen om het vol te houden en de offers te brengen die nodig zijn op de weg die daar naartoe leidt. Volgeling van Jezus zijn betekent zich volledig aan God overgeven en bereid zijn Jezus te volgen in elk aspect van zijn rol als lijdende dienstknecht, zelfs het kruis.Op deze nieuwe weg moeten Petrus en alle andere leerlingen van Jezus leren hem trouw te blijven. Petrus is de rots, de drager van de gemeente, maar moet zelf steeds door Jezus gedragen worden. Dit is een heel leerproces voor Petrus ... en voor ieder van ons.
Dit vraagt tijd, en kan niet zonder een weg van vallen en opstaan. Een nieuwe weg vraagt durf om met vertrouwen naar de toekomst te kijken, en stappen te zetten, vraagt om los te laten wat ons vasthoudt in een bepaald stramien of in een positie die we als de onze zijn gaan beschouwen. Elke verandering, ook in het leven in onze kerk, doet pijn, maar zonder vernieuwing sterven we af. Er kan geen vernieuwing zijn zonder een sterven van de oude manier van denken. Niet elke vernieuwing is goed maar vraagt om een eerlijke afweging: waar gaat het uiteindelijk om? Het is mijn overtuiging dat deze tijd en plaats van ons een nieuw en overtuigend getuigenis vragen: Hoe zou Jezus hier nu in deze buurt leven, en met ons als zijn volgelingen gemeenschap stichten? Deze vraag mag en moet voor onze parochie leidraad zijn voor ons beleid, en van ons handelen. Dit zal van ieder van ons op onze plek offers vragen, èn nieuwe waarachtige levenskracht schenken.