22e zondag door het jaar A - 2002

"Wie mijn volgeling wil zijn, moet zichzelf verloochenen en zijn kruis opnemen": dat is de kern van het evangelie van vandaag. Het lijken harde woorden, net of Jezus eist dat we moedwillig op zoek zouden gaan naar lijden, en dat alleen zulk zelfgezocht lijden zalig kan maken.

Zusters en broeders, als we die woorden zo begrijpen, zitten we natuurlijk verkeerd. We weten maar al te goed dat we echt niet op zoek moeten gaan naar lijden; het komt immers vanzelf, dikwijls met een kracht en een hoeveelheid die we nauwelijks kunnen dragen. Lijden maakt immers deel uit van het leven: ziekte, dood, ongeluk: we hebben er allen mee te maken. Maar nog erger dan dit 'natuurlijke' lijden is het lijden dat de ene mens de andere aandoet. Het lijden dat Israel brengt over de Palestijnen - en ook andersom -, het al even zinloze geweld van het terrorisme, de onmenselijkheid van fundamentalisme en fanatisme, de wreedheid van elke oorlog en van elke burgeroorlog, de pijn die mensen elkaar in een relatie, op het werk of gewoon in de buurt aandoen.... Zulk lijden kàn Jezus niet bedoeld hebben toen Hij ons opdroeg ons kruis op te nemen. Maar wat houdt hij ons dan wel voor?

Zusters en broeders, zo'n maand geleden won Lance Arstrong voor de vierde maal op rij de Ronde van Frankrijk. Bewondering alom maar ook het besef: die overwinning heeft niet alleen bloed, zweet en tranen gekost, maar vergde ook het onverwoestbare geloof dat ge dingen kunt forceren. Iedereen herinnert zich ongetwijfeld dat Armstrong enkele jaren geleden kanker had, maar hij vocht terug, hij gaf alles wat hij in zich had, en hij overwon zijn ziekte, omdat hem iets voor ogen stond dat hem de moeite waard was ervoor te vechten, namelijk het leven, en wat het leven te bieden heeft.

Welnu, zuster en broeders, het is dat soort lijden, die wil om tot het uiterste te gaan in ons geloof die Jezus van ons vraagt: de moed dus om niet altijd de gemakkelijkste weg te kiezen, de wil om pal achter Hem te gaan staan, het doorzettingsvermogen om Hem te volgen en zijn leven te leven. Hijzelf heeft ons dat voorgedaan zonder op te geven, ook al bracht Hem dat aan het kruis. Van ons wordt zo'n offer niet gevraagd: wij leven niet in een situatie waarin het beleven van ons geloof ons het leven kan kosten. Jezus màg dus doorzetting vragen: Hij brengt er ons leven niet mee in gevaar.

Ook waarin we moeten doorzetten, maakt hij ons duidelijk: willen we zijn leerlingen zijn, dan moeten we onszelf verloochenen. We moeten afstand leren nemen van onszelf. We moeten leren leven voor anderen, zegt Hij, want wie zijn leven wil redden, zal het verliezen. Wie, met andere woorden, alleen maar aan zichzelf kan denken, en alleen maar voor zichzelf kan leven, heeft volgens Jezus geen leven meer. Dat klinkt misschien eigenaardig, want wat is er nu gemakkelijker en aangenamer dan alleen maar voor uzelf te leven. Rekening te moeten houden met anderen, of te moeten leven voor die anderen, zoals Christus ons opdraagt, dàt is dikwijls geen leven meer, denken wij.

Zusters en broeders, het is nog maar de vraag of dat inderdaad zo is. Want wie egoïstisch is, schermt zichzelf en zijn bezit angstvallig af van de buitenwereld, uit schrik dat hij iets zou moeten delen. Hij bouwt een muur om zich heen die moet verhinderen dat anderen tot bij hem of tot bij zijn bezit geraken. En hoe groter het egoïsme, hoe hoger de muur, zo hoog, dat hij er op de duur zelf niet meer overheen kan. Hij zit dus echt gevangen in zichzelf, hij heeft zijn leven zozeer willen veilig stellen dat hij geen leven meer heeft daar zo alleen tussen zijn muren. Of om het met Jezus te zeggen: wie zijn leven wil redden, zal het verliezen. Wie alleen voor zichzelf wil leven, heeft geen leven meer.

Zusters en broeders, zijn kruis opnemen, zichzelf verloochenen, zijn leven verliezen, niet de gemakkelijkste weg kiezen: al deze woorden houden geen onmogelijke opdracht in en ze voeren niet naar zinloos lijden, integendeel, ze voeren naar een bestaan waarin ge u als mens goed voelt in uw vel, en ze voeren tegelijk ook naar een wereld waarin het goed om leven is, waarin de ene mens een broer is voor de andere, waarin onrecht wordt vermeden, waarin mensen elkaar geen pijn meer doen. En is dit niet precies het Rijk Gods dat we hier op aarde in Gods naam mogen opbouwen?