Na de jeremiade (2005)

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 198 niet laden

WAT MOOI IS...

Ik was van de weer een paar keer te laat om dat onnozele ster-spotje weg te zappen. Een zeep-firma heeft het betaald. Een of ander schaap mekkert: ‘wat mooi is, moet mooi blijven....’ ‘Arm kind’, denk ik, ‘wat heb jij nog weinig meegemaakt en wat zul je ongelukkig worden! Ook Robijn zal je verlosser niet zijn. Je zult niet mooi blijven en je truitje ook niet. Je zult de schoonheid nog moeten ontdekken van een verwelkte roos, een gerimpeld gezicht en een verbleekt truitje!
Ons hele leven bestaat uit inleveren, gestage achteruitgang en je verlies nemen. Wie dat niet kan, zal nooit gelukkig zijn. ‘Wie zijn leven kan verliezen zal het vinden’, merkt Jezus op. ‘Wie het probeert te redden is een zekere verliezer.’
In de eerste lezing hield Jeremia zijn jeremiade! Hij jammerde: ‘Iedereen spot met mij. Elke dag is een vernedering. Wat zal ik nog langer geloven in God!’ Het leven geeft genoeg reden tot klagen en een klaagzang is soms het enige dat nog opluchting geeft.
Het was Jeremia allemaal teveel geworden. Zijn goed bedoelde pogingen om de stad te behoeden voor belegering, honger en cholera, zijn met hoon ontvangen. Huil maar uit, Jeremia. Het valt niet mee om je gezicht te verliezen, of je huis, of je man, of je kind...
Maar wat doe je daarna? Wat, als de klaagzang ten einde is?

NA DE KLAAGZANG

De Talmud bewaart de herinnering aan rabbi Meïr.
Deze trok veel publiek wanneer hij met humor de wet uitlegde. Toen hij eens zijn gebeden deed aan het einde van de sabbat, gebeurde het dat zijn beide zonen plotseling stierven. De geschiedenis vertelt niet hoe. Waren ze ziek? Was het een ongeluk of een moordaanslag? Moeder Beroerja legde beide zonen boven op een bed en bedekte hen met een wit laken. Daarna wachtte ze op de terugkeer van haar man. Bij thuiskomst was Meïrs eerste vraag: ‘Waar zijn de jongens?’ Beroerja antwoordde ontwijkend: ‘Ergens’. ‘Waar zijn mijn zonen?’ vroeg hij opnieuw. Zijn vrouw schonk hem een glas wijn in zodat hij zijn avondgebed kon bidden op de grens van het heilige en het profane. ‘Waar zijn mijn zonen?’, vroeg de rabbi weer. Beroerja  verborg krampachtig haar onmetelijke droefheid. ‘Ga maar vast aan tafel zitten. Ze zullen wel thuiskomen’ Toen ze het eten op tafel zette, vroeg hij opnieuw: ‘Waar zouden de jongens zijn?’ Beroerja ging naast hem zitten en legde haar hand op zijn arm. ‘Ik wil je wat vertellen. Een tijd geleden heeft iemand mij een kostbare schat toevertrouwd. Nu wil hij hem terug hebben. Moet ik dat doen?’ ‘Wat een vraag!’, zei de rabbi, ‘dacht je dan echt, dat je kon houden wat niet van jou is?’ Zonder verder iets te zeggen nam Beroerja haar man bij de hand mee naar boven ...
De vrouw kon haar verlies nemen met onbeschrijflijk veel verborgen pijn, omdat ze geleefd had in het  besef dat haar schatten geschenken waren en geen bezittingen, geen eigen verdiensten.

BERUSTING

Het verhaal speelt zich af in een tijd waarin de joden het zwaar te verduren hadden. De tempel in Jeruzalem was verwoest. De Romeinen vervolgden het volk wreed. De doodsoorzaak van de zonen is wel duidelijk: ze waren martelaren van de Thora. Beroerja maakte het mee dat haar hele wereld in stortte. Er was maar één kracht die haar op de been hield en dat was de wetenschap dat alles wat zij had, pure genade was, een geschenk.
Ze wist dat haar kinderen geboren waren met dichtgeknepen vuistjes, gereed om te pakken, te grijpen en te bezitten, maar ze wist ook dat ze gestorven waren met geopende handen, met handen die alles prijsgaven, die zich ervan bewust waren dat ze nergens recht op hadden.
De Joden vertelden dit verhaal tijdens de gruwelijkste vervolgingen om hun klaagzang toekomst te geven. Ze zijn het blijven vertellen ook toen ze bijna werden uitgeroeid. Ze vertellen het nog steeds, want ook vandaag worden mensen geslagen en wenen luide klaagzangen. Ook een geschenk verliezen doet pijn, maar we moeten verder. Wie niet kan verliezen die heeft geen leven, zei Jezus.

ZONNETJE

Lieve kinderen.
In het huis op de hoek woonde een kleine mevrouw. Ze liep de hele dag te mopperen en te klagen.
‘Wat een akelig weer!’ Daarmee begon ze de dag. ‘Die rot-zon schijnt recht in mijn ogen. Ik word er nog eens blind van.’ Kees belde aan. De vrouw deed open.
‘Je hoeft niet zo hard de bellen, ik ben niet doof....’ riep ze nog voordat ze de deur had open gedaan. En toen ie open was: ‘Wàs ik maar doof dan hoefde ik al dat geklets niet aan te horen. Wat moet je?’
‘Wilt u kinderzegels bestellen?’, vroeg Kees zo beleefd mogelijk.
‘Wat moet ik met kinderzegels? Alles is voor de kinderen tegenwoordig. Wie doet er nog wat voor een oude vrouw? Heb je ook bejaardenzegels?’ Kees begon te stotteren.
‘Nee, die heb ik niet. Wel een goed idee van u. Ik zal het eens tegen de juffrouw zeggen.’
‘Ja, ga jij alles maar overal rondbazuinen. Daar zit ik op te wachten.’ Kees werd zenuwachtig van al het gemopper. Maar zijn vriendje van groep vijf had gezegd: ‘je moet haar geduldig laten uitschelden. Niet bang worden. Het vrouwtje heeft veel meegemaakt. Ze heeft twee kinderen verloren. Vandaar. Maar als ze uitgescholden is....’
‘Nou, doe me dan maar twee mapjes’, zei de vrouw ineens. ‘Jij kunt er ook niks aan doen. Schrijf maar op. Mevrouw Zonnetje. Madelief Zonnetje.’
Schaterend huppelde Kees naar huis. ‘Rustig laten schelden dat zonnetje’, mompelde hij onderweg.