19e zondag door het jaar A - 2005

Zusters en broeders,

We hoorden zonet een heel merkwaardig verhaal. Merkwaardig, omdat je het zowel als een letterlijk, als een symbolisch of als een verrijzenisverhaal kunt lezen.Voor alle drie de lezingen is er wel iets te zeggen, maar hoe je het ook leest, de kern blijft dezelfde, en die is dat Jezus er altijd is, en dat je op Hem kunt vertrouwen.

Je kunt dus letterlijk lezen wat er staat. Na het wonder van de broodvermenigvuldiging waarover we vorige week lazen, gebiedt Jezus zijn leerlingen alvast naar de overzijde van het meer te varen. Hijzelf zal eerst de mensen naar huis zenden en dan wil Hij alleen zijn om te bidden, om zijn Vader te loven en te danken voor de grote dingen die Hij in zijn Naam heeft kunnen doen. Al mediterend en biddend wandelt Hij om het meer, en onvoorzien komt Hij vroeger dan de leerlingen aan op de plaats waar Hij met hen heeft afgesproken. Zij hebben immers te kampen met een tegenwindse storm, zodat ze nauwelijks vooruitkomen. Wanneer ze bijna aan de oever zijn, wacht Hij hen op, en om hen te helpen, komt Hij hen door het water een eind tegemoet. In het schemer van de morgen, de lage mist en de hoge golven herkennen zij Hem eerst niet. Ook de vermoeidheid speelt hen parten, want ze denken dat Hij een spook is dat over het water wandelt. Wanneer ze zien dat Hij het is, springt de altijd onstuimige Petrus in het water om bij Hem te zijn. Hij wordt verrast door de golven en de wind en schreeuwt om hulp: ‘Heer, red mij!’, en Jezus hijst hem overeind. Zusters en broeders, zo zou het kunnen gebeurd zijn.

Maar het verhaal heeft ook veel weg van een verrijzenisverhaal. Zo lezen we bijvoorbeeld bij Johannes dat de apostelen ’s nachts op het meer zijn gaan vissen. Ze hebben niets gevangen, ze varen terug en van op de oever zegt een man dat ze hun net rechts van de boot moeten uitwerpen. Het zit meteen overvol. Johannes herkent de verrezen Jezus in die man, en onmiddellijk springt de alweer onstuimige Petrus uit de boot om zo snel mogelijk bij Hem te zijn. De gelijkenis met het verhaal dat we vandaag hoorden, is wel erg opvallend. Zusters en broeders, zo zou het dus ook kunnen zijn: een verrijzenisverhaal, een verhaal dat Mattheus verbindt met het verhaal van de broodvermenigvuldiging. Daarin leren we dat het Rijk Gods ontstaat wanneer we, zoals Jezus, in zijn naam en met zijn hulp, leren breken en delen. Zo wordt het onmogelijke mogelijk. Vandaag horen we dat de verrezen Heer, hoewel lichamelijk niet onder ons, toch aanwezig is, en dat Hij ons blijft bijstaan om het onmogelijke mogelijk te maken, in wat voor moeilijkheden we ons ook bevinden.

En ten slotte is er de derde lezing. Velen denken dat Mattheus in dit verhaal op symbolische wijze het wel en wee van de jonge Kerk vertelt. De eerste christenen worden zowel door de Joden als door de Romeinen vervolgd, er zijn martelaren, er is twijfel onder de gelovigen. Ook de apostelen weten niet goed meer hoe het moet. Ze dobberen maar wat rond, krijgen te maken met tegenkanting en tegenwind, leven in het oog van de storm. Zelfs Petrus weet het niet meer. Maar Jezus laat zijn jonge Kerk niet aan haar lot over. Hij is er, op Hem kunnen ze rekenen. En bijna verontwaardigd vraagt Hij hun: ‘Kleingelovigen’, waarom hebt gij getwijfeld? Waarom hebt gij gedacht dat Ik u in de steek zou laten?’

Zusters en broeders, hoe je het verhaal ook leest, de kern blijft altijd dezelfde, en die kern is: op Jezus kunnen we rekenen. We leven vandaag in stormen van geweld, terrorisme, moord en doodslag, maar ook van machtsmisbruik, wantrouwen, oneerlijkheid, woordbreuk en ontrouw. Welnu, dit verhaal gaat over de overwinning op al dat kwade. Jezus staat erboven, beter gezegd: Hij wandelt er overheen, Hij is het de baas, Hij stilt de storm van het kwaad.

Het zou goed zijn als meer mensen dat zouden beseffen. Het zou goed als meer vertwijfelde mensen zouden roepen: ‘Heer, red mij!’ De wereld zou er heel anders uitzien als terroristen zich in hun radeloosheid tot Hem zouden keren in plaats van tot springstof en bommen; als misdadigers met hun problemen naar Hem zouden gaan in plaats van slachtoffers te maken; als wereldleiders hun beleid op Hém zouden bouwen in plaats van op wapens en op macht. En onze samenleving zou veel minder verzuurd zijn als mensen in moeilijkheden bij Hem te rade zouden gaan in plaats van elkaar ontrouw te zijn. En ook onze eigen gemeenschap zou er wel bij varen als we altijd en in alle omstandigheden zouden zeggen: ‘Heer, red mij!, in plaats van elkaar in de haren te vliegen.

Zusters en broeders, in de eerste lezing hoorden we dat Elia God niet vond in de storm, niet in de aardbeving en ook niet in het verzengende vuur, maar wel in het suizen van een zachte bries. Zo is God, als een zachte bries die verkwikking brengt in deze verschroeide wereld. Zo wil Hij zijn voor ons als we roepen: ‘Heer, red mij!’ Als een zachte, verkwikkende, deugddoende bries. Amen.