19e zondag door het jaar A (2005)

Water, diep water, daar hebben mensen altijd angst voor gehad. Dat was de afgrond.

Daar woonden monsters, duivels en allerlei kwaad. Het verhaal van het lopen over het water gaat daar over. Het is een soort raadsel. Over het water lopen wil zoiets zeggen als: voor de duivel niet bang zijn. Dat wil de jonge kerk ons van Jezus doorgeven: Hem maak je niet bang. Hij staat boven alle kwaad en dood.

Wat opvalt is dat dit verhaal ook alle kenmerken van een Paasverhaal: Jezus heeft zich teruggetrokken, Hij is afwezig. Hij gaat de berg op om te bidden, "Hij alleen", staat er.

Maar als Hij er dan niet meer is, valt ineens de nacht rondom de leerlingen. En in die diepe levensduisternis hebben ze te vechten tegen de wind en de golven en tegen hun eigen angst.

Maar dan komt Hij over al dat water naar hen toe. En net als in alle Paasverhalen zegt Hij: "Vreest niet". Hij vraagt Petrus om over de golven te lopen en samen met Hem kwaad en dood te boven te komen. Het is een doortocht-verhaal, van donker naar licht, van woeste zee naar bewoonbaar land,

van angst naar vertrouwen, van twijfel naar geloof. Eigenlijk een prachtig verhaal.

Ook de profeet Elia maakt zo'n doortocht mee. Het is in de dagen van Achab. Erger kon niet, zeg maar. God lijkt wel de grote afwezige. Er is slavernij en geweld en dood. En in die donkere tijd hoort de profeet in zijn binnenste de Stem die maar niet zwijgen kan, u weet wel.

Hij raapt alle moed bij elkaar en herinnert de wrede koning aan de God van het verbond, die een bevrijder is. Maar die machthebber laat zich niet gezeggen en jaagt hem het land uit. Elia wordt van groot profeet tot vluchteling, en vogelvrij. Hij komt in een vitale depressie terecht, zouden wij zeggen en hij wil alleen maar dood. Ja, zelfs een profeet kan dat overkomen.

Hij trekt de woestijn in en legt zich neer onder een struik, om te gaan slapen en nooit meer wakker te worden. Net als ooit Hagar deed, toen zij door Abraham de woestenij in was gejaagd. "Het wordt mij teveel Heer, laat mij sterven", staat er geschreven. Maar in die meest donkere nacht van zijn leven

stoot een engel - God zelf dus of zijn bode - die stoot hem aan: "Sta op en eet". En als hij kijkt is er brood en water. Hij voedt zich ermee en gaat weer slapen. Het hoeft voor hem niet meer. Waarom nog verder leven? En na een tijdje - wie weet hoe lang wanhoop kan duren - weer die engel die hem uit de doodsslaap wekt en zegt: "Sta op, eet en drink, anders is de tocht voor jou te lang". En op de kracht van dat Godgegeven voedsel staat hij op en trekt hij veertig dagen en veertig nachten in eenzaamheid door de woestijn tot de berg van God. Daar overnacht hij in de grot waar ook Mozes zijn schuil had gezocht. Hij beklaagt hij zich bij God over zijn lot: "Het heilige is verdwenen en iedereen staat me naar het leven!" Maar God is nergens te bekennen, dat staat er tot drie keer toe.

Niet meer in de storm, waarmee Hij ooit de zee had gespleten voor een veilige doortocht. Niet meer in de aardbeving waarmee Hij aan vijanden een halt had toegeroepen. Niet in het lichtende vuur waarmee hij eertijds zijn volk was voorgegaan in de nacht. Nergens een spoor van God te vinden.

En dan volgt, volgens het woord van het Hebreeuws, "de kleine stem van de stilte". En in die stilte bedekt hij zijn gezicht en staat hij stil voor God en hoort hij weer de Eeuwige. Precies in het stille lijden aan Gods afwezigheid is de kiem van zijn aanwezigheid verborgen. Elia verneemt weer die Stem in zijn ziel: "Elia, wat doe je hier. Ga terug op de weg". Er is een nieuw begin. Hij is gegaan van donker naar licht, van dood naar leven. Zo kan hij weer verder.

Het gaat om die ontmoeting met de Eeuwige, die tegelijk het beste is in jezelf. Verbonden met Hem word je groter dan jezelf; je voelt je rijk en vervuld en sterk.

Kostbare verhalen voor mensen die door de nacht van het leven zijn omsloten raken. En dat kan de beste overkomen. Ons wankele geloof wordt haast elke dag wel aangevochten. Je hoeft maar naar het journaal te kijken, de discussies in de krant te volgen. Altijd zijn er die grote vragen naar het waarom van alle kwaad en naar de plaats van God daarin. En dan kan je de angst bevliegen dat al het goede in verdrukking komt en dat je geloof misschien wel helemaal niks uithaalt. Nou, tegen die barre aanvechting van ons geloof wordt ons vandaag verteld over Elia, die toch even de moed verloor, maar opnieuw gevoed wordt door God; en over Jezus, die over de diepe afgrond gaat,

over de woeste golven van ellende dood heenloopt: geen zee gaat Hem te hoog. En dat kunnen deze twee groten uit de Schrift omdat zij op de een of andere manier God toelaten in hun leven,

waardoor zij vervuld zijn van zijn geestkracht.

En dat kan kennelijk ook gelden voor Jezus' leerlingen, voor Petrus, voor de jonge kerk en voor ons: "Kom over het water naar Mij toe", zegt Hij. Zolang wij vertrouwen op Hem, op zijn weg, zijn manier van omgaan met God, zijn mededogen naar mensen toe, zolang kunnen ook wij lopen over zeeën van angst en dood. Dan wordt ook voor ons het ondenkbare denkbaar. Maar als wij zijn levensvisie loslaten, dan komen we met ons kleine geloof óm in de golven van het dagelijkse bestaan. Dan zijn we met z'n allen nergens meer.

In deze verhalen wordt dus geloof gesteld tegenover vertwijfeling en wanhoop. Ons leven kan heel rustig verlopen. Maar van de ene op de andere dag kun je ook zomaar onderuit gehaald worden.

Je hebt dat nergens aan verdiend, maar toch wordt je bestaan plotseling aan alle kanten bedreigd.

Woeste golven overspoelen je. Op zo'n moment geloof je misschien nergens meer in, niet in God, niet in jezelf, niet in de toekomst. Zo'n donkere stormachtige nacht kan lang duren. Maar misschien maak je het dan mee dat, als je die nacht uithoudt, dat er dan tegen het ochtendgloren iemand naar je toekomt, een engel, een vriend, een naaste, één die over het water loopt en zegt: "Wees niet bang, ik ben het. Je kunt dit te boven komen. Sta op en kom!". Je probeert het, je twijfelt, en af en toe krijgen wind en golven, krijgt de angst je toch nog te pakken. Maar Hij is er, Hij steekt een hand naar je uit en blijft je uitnodigen: "Kom, loop over het water, Ik ben er, Ik hou je vast".

Ik hoop dat u dat mag overkomen, wanneer u terecht bent gekomen in de woestijn van het leven of wanneer u ten onder dreigt te gaan in de golven van alles wat u en anderen overkomt. Dat u dan de moed niet verliest.