Voor Gods aanschijn (2008)

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 538 niet laden
Wat moeten we met Schriftlezingen over Godsontmoetingen in rare natuurverschijnselen als lopen op het water, sterke wind, aardbevingen, storm en vuur? Je zou haast zeggen dat het ontmoedigend is, omdat ze ons vertellen dat wij in ons leven God níet ontmoeten, want wie van ons maakt dit mee, wie zou het zelfs maar mee willen maken?

Vorige week nog was een aantal bergbeklimmers onder wie een aantal Nederlanders de K2 aan het beklimmen in de Himalaya&s, en beleefden minstens zoveel natuurgeweld als Elia deed. De Nederlandse bergbeklimmers overleefden het, maar of ze toen God hebben ervaren ...?

Velen ervaren God in de natuur, anderen vooral in mensen om hen heen ... of ook helemaal niet. Zij noemen het toeval als iemand hen precies op het kritieke moment een hand toesteekt, zelfs als het gebeurt op een moment dat ze dreigen te verdrinken in al wat hun overkomt.

Ontmoeten wij God wel eens, horen wij ooit Gods stem tot ons spreken?Of zijn we daar, zoals we in Holland graag zeggen, te nuchter voor. Natuurlijk is het voor ieder van ons anders. De meesten van ons zullen niet elke dag leven met het idee dat God met ons bezig is, dat we Gods stem dagelijks horen, dat God ingrijpt in ons leven. Sterker nog, het zal - als het ons al overkomt - een zeldzaamheid zijn, dat wij net als Elia en Petrus zeker weten dat we God, dat we Jezus hebben ontmoet of dat we door de knieën gaan en uitroepen: Werkelijk, U bent de Zoon van God.

De een kan een bepaalde ervaring beleving als komend van God en de ander helemaal niet. Dat heeft veelal te maken met onze al dan niet gelovige achtergrond, of we God in ons leven al hebben leren kennen, of we staan in een traditie waarin we de verhalen kennen van mensen die spreken over hoe God in hun leven aanwezig is geweest.

Als we daar aan denken, wat zijn wij allemaal dan rijk met zulke verhalen als die van vandaag, deel van onze collectieve ervaring, van onze geloofstraditie, want, al is het niet onze ervaring, we kunnen wel leren verstaan wat die ervaring zegt: wat gebeurt hier, wat wil dit ons zeggen. Deze en andere ervaringen moeten verstaan, geïnterpreteerd worden om betekenis te krijgen.

Het zijn twee verhalen maar ze staan niet los. Ze roepen andere verhalen op uit de rijke traditie van de Schrift.

Elia had zich als profeet in naam van God uitgesproken tegen de koning en de koningin, omdat zij aanspoorden tot afgodendienst en hun mensen daaraan opofferden. Nu staan zij Elia naar het leven. Hij heeft zijn tocht van veertig dagen en nachten naar de berg Horeb volgehouden doordat een engel hem brood uit de hemel had gegeven.
De Horeb is de berg van God, omdat de Horeb een andere naam is voor de Sinaï, dé berg waar de HEER zijn geboden aan Mozes heeft gegeven, de stenen platen geeft, door Gods eigen vinger beschreven. (Exodus 31,1) Voor ons is het nog belangrijker dat God op deze berg nog een keer aan Mozes is verschenen. Die keer krijgt Mozes de opdracht zich in een rotsholte te verbergen, en de HEER trekt voorbij. Mozes mag slechts van de achterkant zien en in het voorbijtrekken roept God zijn naam HEER uit: Ik zal er zijn - IK BEN.

Het natuurgeweld bij Elia op de berg Horeb is indrukwekkend en angstaanjagend. Er is een zeer zware storm, bergen splijten, rotsen worden verbrijzeld, er is een aardbeving en vuur. Net als de berg zelf roepen ook deze natuurelementen herinneringen op aan God die ten tijde van Mozes de wind de zee laat splijten om ze een veilige doortocht te bieden, en hoe Hij in een vuurkolom zijn volk de weg wijst naar het land van belofte. Deze verhalen klinken mee, maar zijn niet zomaar een kopie, vertellen hun eigen verhaal. Zo wordt hier verrassend stellig gezegd dat de HEER daarin níet is, niet als een storm, als een vloed komen de woorden van God, niet als een schot in het hart. Elia schuilt tot hij het suizen van een zachte bries hoort. Sinds Mozes weet Elia dat geen mens God kan zien en het overleven, en dus bedekt hij zijn gezicht met zijn mantel, gaat naar buiten en blijft daar staan. Hij hoort de stem van God, een stem die de stilte niet breekt.

Dan durft Elia te vertrouwen en verstaat hij zijn roeping opnieuw. Als we Gods boodschap aan Elia vóór en na dit gebeuren bezien, is het precies dezelfde, maar Elia heeft nu opnieuw geleerd dat God zijn weg met hém gaat zoals God al eeuwenlang zijn weg gaat, met Mozes en met het volk van Israël.

Dat volk van Israël is in het evangelie zojuist door Jezus gevoed als met brood uit de hemel. Nadat Jezus de menigte heeft weggestuurd, gaat hij alleen de berg op, plaats van Godsontmoeting. Daarna gaat hij over het water, symbool van chaos en dood, doorgang naar nieuw leven, en wel op het einde van de nacht, op de grens van nacht en dag. U kent wellicht de Joodse wijsheid, dat het dag is als je het gezicht van je naaste kunt herkennen, en het is nog nacht wanneer je dat niet kunt. Welnu, zij denken dat het een spook is, en zijn verlamd van angst.

De eerste boodschap van Jezus is een dubbele, diepe, bijbels geladen boodschap: "Ik ben het. Wees niet bang." Petrus staat symbool voor ons allemaal, als hij antwoordt: "Als u het bent ...", meteen nadat Jezus heeft gezegd: "Ik ben het." en vervolgens bang wordt als hij de kracht van de wind voelt. Jezus nodigt hem uit: "Kom" en zoals, als Jezus er niet meer is, de leerlingen zullen doen wat Jezus zelf deed en grotere dingen, doet Petrus dit ook hier ook al, tot hij de kracht van de wind voelt. Dan verdrinkt hij in zijn eigen angst en roept: "Heer, red mij", in onze liturgische taal: Kyrie eleison, Heer, ontferm U. Jezus reikt hem de hand en Petrus klampt zich vast, op ongenade of genade. Eenmaal in de boot, als de wind gaat liggen, gaan zij door de knieën, en zeggen: "Werkelijk, U bent de Zoon van God", precies dezelfde woorden die de honderdman en zijn knechten zullen gebruiken als Jezus aan het kruis gestorven is, en de aarde beeft en de rotsen uit elkaar splijten.

Het zijn niet onze ervaringen, maar uit deze verhalen leren we hoe zij - Elia, Petrus en anderen - dit beleefden als komend van God, en hoe zij hierdoor werden gesterkt, voor dat moment, voor heel hun leven en om door te geven, in het verhaal dat doorgaat in de geloofstraditie.

Niet iedereen heeft dezelfde ervaringen in het leven en niet iedereen duidt die ervaringen op dezelfde manier. Zo herinnert de een zich heel goed de uitgestoken hand, terwijl een ander zich vooral de momenten herinnert dat die hulp uitbleef. En dan nog, is die hulp dan toeval of komt het van God, is het zelfs de verhoring van ons gebed?

Soms is het overweldigend, zo groot dat je het niet trekt, dat je blij mag zijn dat het voorbijtrekt: je overleeft het. Je wilt het moment vasthouden, maar dat kan niet, al vergeet je het nooit. Maar moeten we dan alleen denken aan hele bijzondere gebeurtenissen in ons leven, of mogen we ook de 'gewone' alledaagse dingen beleven als komend van God?

Voor ons allemaal is het in elk geval een prachtig beeld dat we God alleen van de achterkant kunnen zien voorbijtrekken. God zullen we nooit ontmoeten, zoals wij elkaar hier ontmoeten, van aangezicht tot aangezicht. Daarnaast is er voor ons de ervaring van de leerlingen uit het evangelie toen en de eeuwen door: Hij is met ons, trekt ons op uit de dood, uit onze angst.

Wij kunnen het niet alleen, en we hoeven het niet alleen. Zo mogen we leren zien, ervaren en duiden: Op onverwachte wijze is God ons nabij, in een woord, een helpende hand, een teken van liefde.