19e zondag door het jaar A - 2002

Zusters en broeders,

De profeet Elia maakt in de eerste lezing een zware crisis door. Hij heeft in de episode onmiddellijk ervoor op indrukwekkende wijze duidelijk gemaakt dat alleen Jahweh de ware God is, hij heeft de profeten van de afgod Baäl eigenhandig gedood, en nu wil de koningin zijn dood. Dus vlucht hij totaal moedeloos de woestijn in. "Wat loop ik hier nog te doen?", vraagt hij zich af. "Ik ben de enige die nog in Jahweh-God gelooft." Hij kan alleen maar naar de dood verlangen. En dan ontmoet hij de Heer. En de Heer is niet in de storm die de bergen deed splijten en de rotsen verbrijzelde. En Hij is ook niet in de aardbeving die erop volgt, en al evenmin in het vuur dat de aarde verschroeit. Maar Hij is wèl in het suizen van de zachte bries. Dezelfde zachte bries, de levensadem waarmee Hij de mens bij de schepping tot leven had gewekt. Hetzelfde gebeurt met Elia: die tedere God wekt ook hem tot nieuw en verkwikkend leven. En Elia is een nieuwe mens, krachtig en vol vertrouwen, want God is met hem.

Ook de apostelen zien het niet meer zitten. Zij, die toch ervaren vissers zijn, slagen er niet in de overkant van het meer te bereiken. Ze worden heen en weer geslingerd door de wilde golven, de stevige tegenwind, en door de moedeloosheid die zich in die donkere nacht meer en meer van hen meester maakt.

Zusters en broeders, we mogen er bijna zeker van zijn dat Matteus ons in dit verhaal symbolisch vertelt over de jonge Kerk, die moeilijke tijden doormaakte. Ze was na Jezus' hemelvaart weliswaar 'van wal gestoken' - zoals de apostelen in het evangelieverhaal - , maar ze voer beslist niet altijd over een rimpelloos watertje. De christenen werden vervolgd en kregen de schuld van alles wat er verkeerd liep. En ook binnen de jonge Kerk boterde het niet altijd. Ze bracht mensen van totaal verschillende rassen en standen bij elkaar, en die smeltkroes van verscheidenheid tot eensgezindheid brengen, was niet altijd even vanzelfsprekend. Welnu, zegt de evangelist, de enige weg is Jezus. Op Hem, de Verrezene, op Hem en Hem alleen moeten we vertrouwen.

Zusters en broeders, dit verhaal van de apostelen in nood, dit verhaal van de jonge Kerk, is ook het verhaal van onze Kerk vandaag. Onze Kerk die op velerlei manieren door elkaar geschud wordt. Er is de niet aflatende stroom van pedofilieschandalen in de Verenigde Staten, Duitsland en Australië; er is de leegloop, de openlijke vijandschap van veel machthebbers en regeringen, ook in ons eigen land, waar sommigen niet ophouden om alles wat met christendom en katholicisme te maken heeft; uit te dagen en af te breken; er is vervolging in China, Indonesië, Indië, Vietnam; er is het schrijnend gebrek aan priesters hier en elders, er is het onvermogen van de kerkelijke hiërarchie om bepaalde problemen echt onder ogen te zien en er ook naar te handelen. Dat alles is de geweldige storm van onze Kerk vandaag, en bij het zien van die storm worden velen bang, en ze keren snel terug naar hun eigen veilige boot, weg van de Heer.

En dat verhaal is ook ons eigen verhaal. Ook wij varen met ons bootje over het water van het leven, en ook dat water is niet altijd even rimpelloos. Het kan gevat worden door wind en regen, door storm, door pijn en verdriet, door wantrouwen en wrok. We voelen ons in de steek gelaten, we zijn vertwijfeld, we zien het niet meer zitten. Hoezeer dat waar is, hebt ge vorige week wellicht zelf gehoord of gelezen: in ons land, het vierde meest welvarende land ter wereld, is zelfmoord de belangrijkste doodsoorzaak voor mensen tussen 25 en 40. Zo groot is de vertwijfeling van velen.

En dan is er Jezus. Hij staat aan de overkant. Hij komt ons en onze Kerk in crisis tegemoet, over de woelige wateren en de wilde golven heen, midden de tegenwind van verdriet, vertwijfeling en wanhoop. "Vrees niet", zegt Hij, "Ik ben het. En ik ben er voor u." En wij, wij zitten hier vandaag omdat we zijn als Petrus: we vertrouwen op Hem. Alleen gewapend met dat vertrouwen stapt Petrus uit de veilige boot over het water naar Hem toe, maar bij het zien van de storm wordt hij bang, zo bang dat hij begint te zinken. "Red mij, Heer", schreeuwt hij, en terstond greep Jezus hem vast.

Zusters en broeders, Petrus waagt de sprong in het ongewisse naar Jezus toe omdat hij weet: 'Hij is mijn redding. In wat voor storm ik ook terecht kom, Hij is er voor mij.' En ik vind het voor ons allen zo bemoedigend dat Petrus, de rots op wie Jezus zijn Kerk heeft gebouwd, dat ook hij kan twijfelen, dat ook zijn vertrouwen kan dooreen geschud worden. Maar ook dan blijft hij voor ons een voorbeeld, want vanuit zijn angst kent hij maar één stut: Jezus. "Red me, Heer." schreeuwt hij. Laten ook wij dat doen, zusters en broeders: ons in onze nood tot Jezus wenden, en alleen tot Jezus. Laten ook wij Hem aan boord van onze boot nemen, en dan zal ook in ons leven de storm gaan liggen, net zoals dat in het evangelie gebeurt. En laten ook wij voor Hem knielen, voor Hem alleen, en zeggen: Waarlijk, Gij zijt de Zoon van God. Amen.