19e zondag door het jaar A

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 233 niet laden
Water is van de ene kant levensgevaarlijk en van de andere kant levensnoodzakelijk. Levensgevaarlijk, want je kunt erin ten onder gaan; en velen hebben in het water de dood gevonden. En anderzijds is water levensnoodzakelijk, want noch wij noch het land kunnen zonder water. De bloemen laten hun kop hangen, het gras verdort, de grond scheurt open en schreeuwt om water, om leven, om vruchtbaarheid.

Beide betekenissen vinden we terug in de oudste manier van dopen: een kind of een volwassene werd namelijk volledig ondergedompeld: de oude mens werd verdronken en de nieuwe mens kwam tot leven.

Beide aspecten van het water komen ook terug in de bijbelse verhalen: de dodelijke kracht van het water wordt verbonden met het meer, de zee. En dat water ook leven geeft komt ter sprake waar het gaat over ‘stromen van levend water'.

Wat Matteüs ons vandaag vertelt, speelt zich af op het meer en het water heeft hier de betekenis van vernietigende krachten. Die kunnen ons immers parten spelen. Soms word je als het ware omlaag gezogen door allerlei negatieve krachten in je leven en heb je moeite om het hoofd boven water te houden. En we worden allemaal omringd door stormen van geweld, vandalisme, oneerlijk gebruik van macht. En dan is er geloofskracht voor nodig om te blijven geloven in de kracht van het goede. En eigenlijk gaat daar dit verhaal over. Jezus loopt over het water. Dat betekent: Hij laat zich niet opslokken door negatieve krachten of bewegingen. Hij is het kwaad de baas.

Toen Matteüs dit verhaal aan zijn mensen vertelde, maakten die eerste christenen stormachtige tijden mee. Door de joden verdacht en door de Romeinen vervolgd, voelden ze zich soms door Jezus ‘in de boot genomen' en door Hem alleen gelaten. En bij alle tegenwind vragen zij die in het schip van de kerk zitten angstig af: ‘Waar is nou de Heer? Waarom helpt Hij ons niet? Waarom stilt Hij de storm niet?'

Op die vragen probeerde Matteüs hun een antwoord te geven: Jezus dwingt ons, zijn leerlingen, storm en water te trotseren. De wind tegen hebben hoort erbij en pas tegen het eind van de donkere nacht, als je al niet meer verwacht, komt Hij naar je toe: ‘Ik ben het, wees maar niet bang'. En Petrus, die dreigt te verdrinken, steekt Hij de reddende hand toe. ‘Kleingelovige' zegt Hij tegen de eerste paus en heel de kerk van toen, ‘kleingelovige, waarom zo getwijfeld?'

Een koorddanser in de nok van het circus riep omlaag: ‘Denken jullie dat ik geblinddoekt over die kabel kan lopen?'. En het publiek riep: ‘Ja!'.

‘En denken jullie dat ik dat ook met een kruiwagen kan?'. En weer riep het publiek dat ze dachten van wel. ‘En denken jullie dat ik het ook kan als er iemand van jullie in die kruiwagen gaat zitten?'. Toen viel het publiek stil. Er klonk nog wat gemompel, maar niemand bood zich aan.

Vaste grond onder je voeten hebben dat geven we niet graag op; die koorddanser zal het wel kunnen, maar mij niet gezien.

Zo is het ook een beetje met ons vertrouwen op God. We willen wel aannemen dat wie gelooft niet bang hoeft te zijn, maar we durven niet vlug de vaste grond, onze zekerheden los te laten.

Wat Matteüs ons wil zeggen is: Wat je ook meemaakt aan storm of tegenwind, tegenslag, pijn, verdriet en grote zorgen, en uiteindelijk de dood, de Heer is je nabij. Hij steekt zijn reddende hand naar je uit en zegt: ‘Wees maar niet bang, Ik ben het.'.