Jezus wandelt over het water

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 233 niet laden
De christenen hebben het in de eerste eeuwen van het christendom zwaar te verduren gehad. Zij werden om hun overtuiging bloedig vervolgd, zij werden dikwijls onmenselijk gefolterd, zij werden voor de wilde dieren geworpen om levend verscheurd te worden, onder keizer Nero werden ze met ontvlambare stoffen bestreken en in brand gestoken om ‘s avonds als levende toortsen de Romeinse parken te verlichten, enz.

Dat zijn echt geen gruwelijke legenden. Wij weten het b.v. ook van heidense schrijvers uit die tijd zoals Tacitus (Annales, 14,45), die zeker niet verdacht kan worden van bijzondere sympathie voor de christenen.

In die omstandigheden is het evangelie dat wij vandaag gehoord hebben, opgetekend en werd het op de bijeenkomsten van de christenen voorgelezen om hun een hart onder de riem te steken. De christenen worstelden met de angstige vraag: Waar blijft de Heer? Waarom komt Hij niet tussenbeide? Waarom moeten wij zulke weerzinwekkende mishandelingen ondergaan? Waarom stilt Hij de storm van de vervolgingen niet? Het evangelie van vandaag is een poging om daar een antwoord op te geven.

Water zoals het water van de zee of van een meer als dat van Gennesaret waar zeer gevaarlijke stormen kunnen woeden, is in de bijbel het beeld van de dreigende dood. Jezus dwingt zijn leerlingen dat stormende water te trotseren en nog wel ‘s nachts, terwijl Hij zelf de berg op gaat om te bidden. Pas tegen het einde van de stormnacht gaat Jezus naar zijn leerlingen toe en stelt hen gerust: Ik ben het, wees maar niet bang.

Zelfs als je aan het verdrinken bent, zoals Petrus, kun je nog tot de Heer roepen: Heer, red me! De evangelist bedoelt: ook in de ergste storm van het leven, ook in tijden van vervolging zoals de eerste christenen meemaakten, steekt de Heer zijn reddende hand uit.

Maar het is voor ons nu eenmaal moeilijk om wat minder te vertrouwen op onze aardse zekerheden dan op die reddende Hand van de Heer. Wij zouden in dit verband het volgende verhaaltje kunnen aanhalen. Een koorddanser voerde in de nok van een circustent zijn halsbrekende acrobatische toeren uit. Opeens riep hij naar beneden: 'Denken jullie dat ik ook geblinddoekt over die kabel kan lopen?' Natuurlijk klonk er van beneden een daverend 'ja'. 'Denken jullie dat ik er ook geblinddoekt met een kruiwagen overheen kan rijden?' En weer kwam er van beneden een daverend 'ja'. 'Denken jullie dat ik dat ook geblinddoekt kan, als iemand van jullie in die kruiwagen komt zitten?' Toen had iedereen bij het publiek blijkbaar een bloedneus. Er klonk alleen wat gemompel en natuurlijk bood geen enkele vrijwilliger zich aan. Je laat de zekerheid van de vaste grond onder je voeten niet zo graag los, ook al weet je dat die koorddanser je zeker veilig over die kabel zal kruien.

En zo is het ook een beetje met ons vertrouwen op God. We willen best aannemen dat wie gelooft, niet bang hoeft te zijn, maar we durven gewoonlijk de consequenties niet aan. We durven niet alle troeven op God te zetten. We durven de vaste grond van onze aardse zekerheden niet los te laten. En juist dat wil de evangelist zeggen: wat je in het leven ook meemaakt: tegenslag, pijn, verdriet, ziekte, onbegrip, eenzaamheid, en uiteindelijk de dood, de Heer is ons nabij, Hij steekt zijn reddende hand uit en zegt: Wees maar niet bang, Ik ben er.