19e zondag door het jaar A - 2011

Zusters en broeders,

Jezus heeft een verbazingwekkend wonder verricht: met vijf broden en twee vissen heeft Hij een grote menigte te eten gegeven. Dat hoorden we vorige week. En nu gebiedt Hij zijn apostelen naar de overkant van het meer te varen. Hijzelf zal het volk wegzenden en de berg optrekken om in afzondering te bidden. Hij wil zijn Vader danken voor alles wat Hij Hem geeft. Hij wil ook vermijden dat het volk beslag op Hem legt, en eist dat Hij hun koning wordt, want een man die zomaar voor eten kan zorgen, die moeten ze zien vast te houden. Daarom zendt Hij ook zijn apostelen weg. Ook zij mogen geen goedkope succesnummers worden die teren op de roem van hun Meester. ‘Vaar alvast maar naar de overkant’, zegt Hij, ‘Ik kom straks.’ ‘Vaar maar naar de overkant’ … Ze mogen dus niet ter plaatse blijven trappelen, en ze mogen zeker niet uit zijn op goedkoop succes, hoe aantrekkelijk dat op het eerste gezicht ook mag lijken.

En dan vertelt de evangelist een merkwaardig verhaal: de apostelen komen in een storm terecht, en door de sterke tegenwind geraken ze geen meter vooruit. Tegen de morgen aan komt Jezus over het water naar hen toe. Ze denken dat ze een schim, een spook zien, en schreeuwen het uit van angst. Jezus stelt hen gerust, Petrus wil over het water naar Hem toegaan, maar zijn geloof is te klein, dus dreigt Hij te verdrinken. ‘Heer, red mij’, schreeuwt hij, en dat doet Jezus dan ook: Hij reikt hem de hand en haalt hem uit het water.

Ik zei het al: het is een merkwaardig verhaal, en waarschijnlijk is het ook een symbolisch verhaal. Misschien een verhaal over problemen in de jonge Kerk, met twisten tussen joodse en niet-joodse christenen, met discussies tussen Petrus en Paulus, en met een verschillende bezieling bij christenen die Jezus bij leven hebben gekend en bij hen die Hem niet hebben gekend. Te midden van die problemen houdt Mattheus hen allen een spiegel voor: Jezus, en Jezus alleen wijst de weg en is de weg. En dit is wat je moet doen als je in de problemen zit: in volle storm overboord durven springen, naar Hem toegaan, en smeken: Heer, red mij!

Zusters en broeders, dit verhaal is ook ons verhaal. ‘Vaar maar naar de overkant’, zegt Jezus ook tot ons. ‘Blijf niet ter plaatse trappelen, denk niet aan gisteren, maar leef vandaag, als christenen in deze tijd.’ En wanneer de boot van ons leven terechtkomt in tegenwind en storm, wanneer tegenslag en ziekte, ruzie, echtscheiding en mislukking elkaar blijven opvolgen; wanneer we dreigen te vergaan in de pijn van het leven, dan is Jezus er voor ons. Door de ellende zien we Hem misschien slechts als een schim, maar Hij is er, en net zoals Hij Petrus uitnodigt, nodigt Hij ook ons uit om over het water naar Hem toe te komen. Misschien zullen ook wij bang worden en misschien is ook ons geloof te klein. Wel, laten ook wij dan uitschreeuwen: Heer, red mij!, en Hij zal ons de hand reiken en begripvol vragen waarom we getwijfeld hebben.

Dit verhaal is ook het verhaal van onze Kerk. Onze Kerk met haar onvermogen om de boodschap van Jezus in deze tijd te vertalen en te beleven. Onze Kerk die niet naar de overkant wil varen waar Jezus haar opwacht. Onze Kerk met haar schandalen en haar weigering die ten volle te erkennen, en vergiffenis te vragen aan God en aan de mensen. Onze Kerk die het zo moeilijk heeft om uit te schreeuwen: ‘Heer, red mij! Red uw Kerk, want wij hebben er een potje van gemaakt.’

Zusters en broeders, christen zijn is beseffen dat je nooit gearriveerd bent. Altijd opnieuw zal Jezus zeggen: vaar maar naar de overkant, blijf niet staan waar je staat, maar ga op zoek naar nieuw geloof, nieuwe liefde, nieuwe inzet. En waar we ook gaan, Jezus zal ons altijd opwachten, en Hij zal ons de hand reiken, over onze vragen en twijfels heen. En misschien zal Hij goedmoedig zeggen: ‘Kleingelovige, waarom hebt gij getwijfeld?’

En ten slotte: in de eerste lezing hoorden we dat God niet is in de storm, en niet in de aardbeving en niet in het vuur. Hij is niet in het geweld van het leven, niet in het onrecht, niet in de vernietiging. Hij is wel in het zachte suizen van een bries, in een koel zomerwindje dat ons streelt. En Hij fluistert ons toe dat Hij er is voor ons, en dat Hij ons zal redden uit de storm, de aardbeving en het vuur waarin ons leven zich nu en dan bevindt. En Hij nodigt ons uit zelf de hand re reiken aan hen die in de vernieling van het leven zitten. Laat dat ons geloof en onze hoop zijn. Amen.