18e zondag door het jaar A (2005)

Beste Dorpsgenoten.

Is dat nu zomer? Dat mogen we ons best afvragen na al de regen. Toch is het zomer: het blijft lekker de warmte te voelen op je gezicht als je aan het fietsen bent, wat is het heerlijk om 's avonds lekker lang buiten te blijven zitten praten, wat smaakt een koel glas bier goed als het heet is en vooral wat is dat zomerfruit heerlijk: lekkere rijpe perziken waarvan het sap langs je kin loopt, en die heerlijke meloenen en nog veel meer.

Een mooie zomer: dat lijkt op die mooie woorden uit de eerste lezing: water, brood, wijn, genieten zonder geld en zonder te betalen. Toch wist die profeet, èn ook zijn toehoorders, dat je niets voor niets krijgt.

Lang geleden las ik zulke stukjes zoals ik bijt in een lekkere perzik: wat heeft O.L.Heer het toch allemaal mooi gemaakt. En ook het evangelie: wat een prachtig verhaal, dacht ik lang geleden. Maar toen had ik nog nooit gehoord, laat staan gezien, van hongersnood, oorlog, moord en ellende zoals we dat nu elke dag op de TV zien. Van Afrika en India en Zuid-Amerika was ik alleen op de hoogte via vrome missie blaadjes.

Dat zijn de gebieden waar nu de meeste Christenen leven.

Stel je voor dat ik daar die opgewekte eerste lezing of dat bemoedigend stuk evangelie zou voordragen ten gehore van mensen die verschrikkingen van allerlei aard hebben meegemaakt die hier onvoorstelbaar zijn.

Wat zouden die mensen zeggen, hoe zouden ze me aankijken? Zouden ze misschien zeggen: "Hoe durft hij het, ziet hij dan niet wat hier gebeurt?"

Maar wat moet ik hier dan zeggen over teksten die mij niet meer aanspreken zoals veertig, vijftig jaar geleden? Om wat duidelijker te zijn: het evangelie eindigt met de mededeling dat er ongeveer vijfduizend mensen hadden gegeten van vijf broden en twee vissen, vrouwen en kinderen niet meegerekend en dat er twaalf volle korven eten waren overgebleven. De huidige kennis over de situatie ter plaatse in die tijd leert mij dat het eenvoudig onmogelijk zou zijn dat er veel meer dan 5000 mensen op één plaats bij een zouden zijn, laat staan dat ze allemaal overvloedig te eten hadden gekregen.

En toch wil ik niet zeggen: weg met zulke verhalen!

Wat dan wel? Zulke verhalen doen ons voor hoe wij, hier en nu, kunnen bereiken wat die profeet en die evangelieschrijver probeerde te bereiken in hun tijd.

En wat is dat dan wel? Dat er een dimensie in ons leven is die we echt voor niets krijgen, als we er voor open staan. Voor een lekker glas bier, of een heerlijke perzik, moet ik betalen. Maar wat ik er wel voor niets bij krijg: die verfrissing, die lekkere smaak en het sap langs mijn kin, als ik dat even tot me laat doordringen, als ik er even stil bij sta hoe lekker dingen kunnen zijn, zodat ik bijna geneigd ben stilletjes te zeggen: "Danke, Leeven Hierke,"of ik daar in geloof of niet. Met een beetje verdieping, door even stil te staan, kunnen we aanvoelen wat die profeet eigenlijk wilde zeggen.

En dat evangelieverhaal? Natuurlijk kon Jezus geen vijfduizend mensen volop te eten geven van vijf broden en twee vissen, zelfs nog geen vijftig. Het verhaal laat zien dat de mensen niet meer bang waren om uit hun eigen knapzak te delen met anderen toen ze zagen dat Jezus niet bang was om uit te delen van het kleine beetje dat hij had. Dat was het wonder: delen werd vermenigvuldigen. Bij rekenen kan dat niet, tussen mensen kan dat wel, liet Jezus zien. En dan is het meteen een groot wonder!

Juist zoals die mensen uit het verhaal allemaal wat te eten bij zich hadden dat ze al of niet konden delen, zo hebben wij ook veel vragen en zorgen in onze kop waarover we graag eens zouden praten of iets liefs dat we graag tegen een ander zouden willen zeggen. Als we dat aandurven: dan zien wij ook een wonder gebeuren: een goed gesprek tussen mensen dat ergens over gaat, niet om te beschuldigen, niet om dingen op te lossen, dat vermenigvuldigt zich, een lief woord verspreidt zich, zoals de rimpels op het water als er een steentje in valt. Is dat niet iets voor een zomeravond?

Dat het zo moge worden.