18e zondag door het jaar A - 2002

Zusters en broeders,

De broodvermenigvuldiging is een van de best gekende verhalen uit het evangelie, en dat is niet verwonderlijk: het wordt in de vier evangelies samen niet minder dan zes keer verteld, het komt elk jaar in de weekendliturgie terug, en ook tijdens andere vieringen is het geregeld te horen. Dat alles wijst erop dat het om een zeer belangrijk verhaal gaat, dat bovendien ook nog tot de verbeelding spreekt: Jezus wordt voorgesteld als een wonderdoener die een grote massa mensen zomaar te eten geeft, gewoon omdat Hij hen zo laat op de avond niet zonder meer naar huis wil sturen. Al bij al vinden veel hedendaagse theologen het zelfs zo'n wonderlijk verhaal dat ze vinden dat ge het niet al te letterlijk moet nemen. Ze zeggen dat met een zekerheid of ze er zelf bij waren, misschien zelfs op de eerste rij stonden. Maar wij zijn geen theologen, dus lezen we de tekst gewoon zoals hij ons door de evangelist is overgeleverd, vanuit ons geloof, en we gaan gewoon naar de kern van het verhaal.

Een verhaal waaruit we onder meer kunnen leren dat Jezus een bijzonder boeiende mens moet geweest zijn, iemand die de mensen aantrok als een magneet. Hij mag dan al de eenzaamheid opzoeken, ze gaan Hem toch achterna. 'Ze verlieten hun steden om Hem op te zoeken', lezen we. Jezus is dus zo boeiend dat ze uit hun isolement breken, om samen rond Hem gemeenschap te vormen. En ze doen dat massaal. Vijfduizend zijn het er, vrouwen en kinderen niet meegerekend. Een zinnetje dat misschien vragen oproept, maar het betekent gewoon dat het er ontelbaar veel waren.

Verder zien we ook dat Jezus sterk om de mensen bekommerd was. Hij heeft met hen te doen, geneest hun zieken, en denkt er niet aan ze weg te sturen om eten te kopen, zoals zijn apostelen Hem aanraden. Want mensen aan hun lot overlaten, ze in de steek laten, daar moet ge bij Jezus niet mee afkomen. Niks wegsturen en eten kopen, zegt Hij, geef gij ze maar te eten. Een heel eigenaardige, en zo te zien ook een onmogelijke opdracht, want ze hebben niet meer dan vijf broden en twee vissen, wat ruimschoots onvoldoende is voor zo'n massa. Toch blijven ze kalm wanneer Hij zegt dat het wèl voldoende is, en ze laten de mensen gaan zitten, zoals Hij hun opdraagt. En dan volgt de kern van het gebeuren, en die is zo belangrijk, dat ik letterlijk citeer: "Hij nam de vijf broden en de twee vissen, sloeg de ogen ten hemel, en nadat Hij de zegen had uitgesproken, brak Hij de broden die Hij aan zijn leerlingen gaf en de leerlingen gaven ze weer aan het volk."

Zusters en broeders, ik ben er zeker van dat ge die woorden hadt kunnen mee zeggen. En waarom? Omdat het bijna letterlijk de woorden van de consecratie zijn, de woorden waarmee Jezus tijdens het Laatste Avondmaal de Eucharistie heeft ingesteld. De broodvermenigvuldiging is dus niets anders dan een prachtige beleving van de eucharistie in het dagelijkse leven, en een vingerwijzing naar wat Christus bedoelt: christen zijn is meer dan alleen maar eucharistie in de kerk, zegt Hij. Neen, die eucharistie moet ook buiten de kerk gevierd worden, in het dagelijkse leven, in elk gezin, in elke gemeenschap, in elk dorp, op elke hoek van de straat, voor iedereen die in nood is, zelfs al zijn het er meer dan vijfduizend, vrouwen en kinderen niet meegerekend. En wat houdt die eucharistie van het werkelijke leven in? Ook dat maakt Jezus duidelijk: 'Geef gij ze maar te eten' zegt Hij, en dat is de echo van 'Doe dit tot mijn gedachtenis', bij het Laatste Avondmaal. Met andere woorden: zet u in voor de anderen, leef delend en gevend. En wat moeten we delen? Hetzelfde als Jezus, dus: onszelf. Niet alleen ons brood, maar ook onze tijd, onze aandacht, onze belangstelling, onze vreugde, ons verdriet, onze liefde uiteraard. In één woord: ons mens-zijn. En hoe moeten we dat doen? Ook dat horen we in het evangelie: we geven niet vanuit onszelf want dan zullen we rap uitgedeeld zijn, nee, we geven vanuit Jezus, zoals de apostelen: zij verdeelden het brood en de vissen die ze van Hem ontvingen. En als we onszelf delen vanuit Jezus hoeven we ook niet te zeggen dat we niets te geven hebben, dat we dat niet kunnen, dat niemand ons iets vraagt of iets anders in die aard. Jezus is immers een onuitputtelijke bron, die van geven zijn waarmerk gemaakt heeft.

Zusters en broeders, wie kan lachen, geeft zijn lach; wie kan spreken, geeft zijn woord; wie een hart heeft, geeft zijn gevoel; wie in Jezus is, geeft zijn geloof; wie gezond is, bezoekt de zieken, en ga zo maar door. Alles wat we in God doen, zal een honderdvoudige oogst voortbrengen, hoorden we drie zondagen geleden in de parabel van de zaaier. Laten ook wij ervoor zorgen dat we met onze vijf broden en twee vissen, met onze beperkte mogelijkheden dus, het wonder van de vermenigvuldiging realiseren, in die mate dat ook wij aan de Heer twaalf korven overschot kunnen aanbieden.