18e zondag door het jaar A - 2020

Zusters en broeders,

Wellicht ken je ook wel iemand die nooit luistert. Je hebt een gesprek met hem of haar, en hij of zij gaat niet in op wat jij zegt, maar begint over iets dat hem of haar aangaat. Of je stelt een vraag, en je krijgt een antwoord op een heel andere vraag, waarschijnlijk een vraag die hij of zij veel belangrijker vindt dan de vraag die jij stelt. Het is dus zeer moeilijk met zo iemand een normaal gesprek te voeren.

Het lijkt wel alsof God de Heer in de eerste lezing daarop inspeelt wanneer Hij zegt: ‘Luister, luister naar Mij. Neig uw oor naar Mij en luister naar Mij, en gij zult leven.’

Luisteren naar God de Heer komt ook tot uiting in het evangelie. Duizenden mensen zijn Jezus gevolgd. Tegen het vallen van de avond willen de apostelen hen allen wegzenden om in de omliggende dorpen eten te gaan kopen, maar Jezus zegt: ‘Het is niet nodig dat zij weggaan. Geef gij hun maar te eten.’

Dat is een merkwaardige opdracht. Hoe kunnen de apostelen naar Jezus luisteren? Ze hebben niet meer dan vijf broden en twee vissen. Hoe kunnen zij daarmee duizenden mensen te eten geven! Ze kunnen daar gewoon niet in slagen. Misschien is het precies daarom dat Jezus hun die opdracht geeft. Mochten ze proberen hem uit te voeren, dan zouden ze zien dat ze er zonder Hem niets van terechtbrengen.

Maar dankzij Jezus krijgen allen overvloedig te eten. Hij stelt daarbij geen vragen: of ze wel braaf zijn, geen zonden hebben bedreven, niet gelogen hebben, trouw zijn in hun relatie, geen homo zijn, niet in de gevangenis hebben gezeten, en meer van de vragen die zo dikwijls gesteld worden. Niet uitdrukkelijk, maar wel voorwaardelijk, want wil je geholpen worden, dan moet je aan een aantal voorwaarden voldoen.

Maar Jezus zegt tegen zijn apostelen dat ze mensen in nood moeten helpen, niet voorwaardelijk en in hun eigen voordeel, maar omdat ze in nood zijn. Dat zegt Hij ook tegen ons. ‘Geef jij hun maar te eten.’ En Hij zegt ook: ‘Zorg gij maar voor de zieken. Vang gij maar daklozen en vluchtelingen op. Zoek gij maar naar vrede en gerechtigheid.’ Hij voegt daar nog heel veel andere opdrachten aan toe die allemaal leiden naar die weg die Hij ons is voorgegaan: de weg van ‘Bemin God bovenal en uw naaste gelijk uzelf.’

Hij zegt dat niet alleen tegen ons, maar tegen alle mensen, dus ook tegen de machthebbers: dat ze hun macht niet mogen misbruiken, niet mogen heersen maar moeten dienen, geen oorlog mogen voeren maar vrede moeten nastreven. En tegen de rijken zegt Hij: ‘Zorg jij maar voor de armen. Buit niemand uit om nog rijker te worden.’ En tegen fanatiekelingen zegt Hij: ‘Heb respect voor je medemensen. Vervolg andersgelovigen niet en brand hun kerken niet af.’ En tegen alle mensen zegt Hij: ‘Heb eerbied voor Gods schepping. Respecteer het milieu en de natuur. Laat mooi wat mooi is.’

‘Luister naar Mij en gij zult leven,’ zegt God de Heer in de eerste lezing. We weten dat luisteren niet alleen ‘toehoren’, maar ook ‘gehoorzamen’ betekent. En we weten ook dat die tweede betekenis heel dikwijls niet ingevolgd wordt, dat heel veel mensen dus niet naar God luisteren. Opvallend  daarbij is dat ontzettend veel politici en machthebbers bij zulke mensen horen. Ze willen helemaal niet naar God luisteren, ze willen niet zoeken en streven naar vrede en gerechtigheid, integendeel, ze gaan meer en meer over tot leugen, bedrog, wreedheid, vreselijk machtsmisbruik en meer zulke dingen die de wereld elke dag gevaarlijker en onleefbaarder maken.

Zusters en broeders, waar staan wij in het verhaal? Dat is de vraag die wij ons altijd moeten stellen. Zijn wij zoals de apostelen? Zeggen ook wij: ‘Stuur ze maar weg. Dat iedereen voor zichzelf zorgt. Het zijn mijn zaken niet.’ Of luisteren wij echt naar God de Heer en naar Jezus? Doen wij echt wat zij van ons vragen? Helpen we dus meebouwen aan het Rijk der hemelen, waar overvloed is voor iedereen? Overvloed van liefde, vrede en gerechtigheid? Laten we ons daarvoor inzetten. Amen.