De parel en de verborgen schat (Mt. 13, 44-52)

Twee korte parabeltjes met een parallelle opbouw. Het gaat in het eerste parabeltje over een dagloner die per toeval op een schat stoot. In het tweede is een handelaar reeds lang op zoek is naar die kostbare parel en hij slaagt er uiteindelijk in deze te verwerven.

Beide parabels wijzen op geluk en houden tevens een stuk avontuur in. Op een verborgen schat stoten, dit is geen alledaags gebeuren. Maar toch niet uitzonderlijk. Nog altijd worden oude muntstukken opgedolven. Waardevolle stukken zitten verstopt achter behangpapier of liggen in een tussenplafond of buiten in de grond. Blij is degene die dit ontdekt en in de schat mag delen.

Tevens steekt iets avontuurlijk in de parabel. Want al ligt de schat in het bereik, dan hebben we deze nog niet. “Als je ziet wat groter is dan je boerderij, verkoop je je schuur.” Dit Afrikaans gezegde heeft gelijkenissen met de parabel over de parel. Het wordt aangehaald door Nigeriaanse dominicaan Godfrey Nzamujoin gesprek met Lucette Verboven, Ongewone wegen, p. 101.

Zowel de koopman als de landman moeten ervoor overleggen, afwegen of ze daartoe de middelen hebben. Ze nemen risico wanneer ze vooraf verkopen wat ze bezitten. Tot op het laatste moment van de koop zijn ze bezorgd en is voorzichtigheid geboden zodat geen andere méér biedt of de schat ontdekt en deze steelt. Een aantal mensen zijn in hun ongeluk gelopen en hebben anderen erin meegesleurd door voortdurend meer te willen.

Bij parabels mag onze verbeelding werken. We steken er veel in en kunnen er veel uithalen. In het evangelie komt het er echter op aan om de pointe te vinden die Jezus beoogt. Dit is niet zo gemakkelijk. Daarom geeft Jezus zelf in een aantal gevallen, zoals bij de parabel over het zaad, naderhand meer uitleg.

Het koninkrijk is midden onder ons. Het geluk is soms dicht bij. Het is op onze aarde. Ze is niet vervloekt maar bevat schatten. Het Rijk Gods is grijpbaar. De dagloner krijgt de zilverstukken in de hand, de koopman raakt de parel aan, hij laat de parel stralen in het licht en neemt deze mee. “Voor Jezus is de Godsheerschappij grijpbaar en aanschouwbaar. Zij steekt niet enkel in het innerlijke van de mens. Ze verbergt zich ook niet buiten de geschiedenis aan de andere kant. Men kan ze nu reeds zien, grijpen, verwerven en ernaar handelen. Daardoor juist fascineert Godsheerschappij een mens en beweegt hem ertoe zijn ganse leven omwille van dit nieuwe te veranderen, zonder daarbij zijn vrijheid te verliezen. De glans en het geluk van de Godsheerschappij zijn tenslotte de zwaartekracht die ons bewegen en die steeds opnieuw Gods genade in onze wereld laat overwinnen” (G. Lohfink, Jesus von Nazaret. Was er wollte. Wer er war, Herder, 2012, p. 335).

Jezus gebruikt deze twee voorvallen om over het geschenk van het rijk Gods te spreken. De ene is reeds lang op zoek. De andere ontmoet het gans onverwachts zoals die Franse communist André Frossard, die een kerk binnenging als heiden en er buiten kwam als christen. Of zoals Eric-Emmanuel  Schmitt, schrijver onder meer van Oscar et oma Rozerood en het boek Het kind van Noach. Hij was verdwaald in de woestijn en ondervond er een mystieke ervaring. “Ik betrad de woestijn als agnost en kwam er gelovig weer uit” (Tertio, 28.02.07). 

Met vreugde

Jezus gebruikt de parabels om de uitzonderlijke waarde van het Rijk Gods aan te duiden. Deze is zo groot dat wij er heel wat voor opgeven. Het Rijk Gods is geen ding. Ik moet mij geen zorgen maken dat een andere het mij afneemt. We mogen er samen in delen. Dit is een kenmerk van dit rijk. Daarom komt dit derde parabeltje van het volle visnet, waar ik niet alleen ben maar toch risico loop dat ik niet aan de opdracht beantwoord en wat mij geschonken is verwaarloos.

Jezus laat vooral de blijheid aanvoelen van degene die de schat vindt en daarvoor alles achter laat. Het is een onverwacht geschenk en anderzijds toch wat diepe verlangens bevredigt.

Deze twee kleine parabels hadden voor Jezus zelf veel betekenis. Ze zeggen veel over hem zelf. Is hij zelf niet degene die alles heeft opgegeven? In zijn Jezusboek vindt G. Lohfink dat Jezus hiermee zijn diepste grondmotief uitdrukt (Die Grundentscheidung Jesu). Hij drukt ermee uit wat de kern is van zijn leven, zijn totale overgave aan Gods heerschappij. Jezus verwoordt zijn eigen fascinatie voor Gods aangebroken heerschappij. De Duitse exegeet heeft het allicht juist voor wanneer hij beweert: “Jeder wirklich gute Text, den jemand spricht oder schreibt, ist ja bis zu einem gewissen Grad autobigrafisch” (Ib., p. 335). Elke goede tekst zou een stukje autobiografie zijn !?.

Gerhard Lohfink past dit toe op Jezus. “Hij zelf heeft alles afgestaan omwille van godsheerschappij. Hij heeft afgezien van de geborgenheid van een familie en van het huwelijk. Hij heeft afstand gedaan van de vreugde kinderen te hebben. Hij zocht niet om een huis te bezitten, noch eigendom, noch andere zekerheden. Wat nog dieper doorweegt: hij heeft ervan afgezien zichzelf als middelpunt te stellen en aldus religieuze macht uit te oefenen – religieuze macht die beslist een van de meest subtiele en gevaarlijkste vorm van macht is. Jezus leeft niet voor zijn eigen persoon, maar is helemaal en uitsluitend gericht op de zaak van God” (Ib. p. 335-336). Jezus was hoegenaamd geen verkrampte mens maar een totale vrije. Zo gaf hij zelf een schittering aan de parel waarvoor hij had gekozen. Wat het koninkrijk Gods is, ontluikt in het optreden van Jezus. Hij is het koninkrijk, maar niet hij alleen. Want het koninkrijk uit zich in de verbondenheid, die Jezus heeft met zijn Vader en deze die hij tot stand brengt door volgelingen rondom zich te verzamelen. Gods heerschappij drukt zich in een gemeenschap; waar gerechtigheid beleefd wordt.

Parels fascineren. Johannes Vermeer schilderde het meisje met de parel. Het schilderij hangt in het gerenoveerde Mauritiushuis in Den Haag.

Wij kunnen de parel waarderen die in andere steekt en glanst. Het NVKVV, de beroepsvereniging voor verpleegkundigen en vroedvrouwen, reikt elk jaar tijdens de week van de verpleegkunde een onderscheiding uit aan een schat van een collega, aan “Iemand die goed is in haar/zijn vak, hart heeft voor patiënten / bewoners, creatieve oplossingen verzint en anderen inspireert. En daarnaast ook goed voor zichzelf zorgt.” Mensen in onze omgeving kunnen zo een parel zijn.

Religieuze mensen zoals Henri Nouwen schreven boeken over de kostbare parel (H. Nouwen, Een parel in Gods handen, 1993). Chiarra Lubich schreef bij deze evangelietekst: “De diepere betekenis van dit verhaal is dat het Rijk van God de aller kostbaarste parel is. Als de unieke kans van een ontmoeting met Jezus - en dus met zijn Rijk onder ons - zich voordoet, willen we die kans onmiddellijk grijpen en erop ingaan met heel ons zijn en met al wat we bezitten.”

De liturgie van deze 17 ° zondag legt een band tussen de wijsheid waar Salomo om bad en de kostbare parel. Zij is helemaal doordrongen van vreugde.

Vreugde steekt in elke lezing van deze viering.

Vreugde en dank om de wijsheid en het luisterend hart, waarvoor Salomo bad.

Vreugde en dank om de wet, die we bezingen met psalm 129.

Vreugde en dank omdat God ons leidt.

Vreugde omdat wij mogen aanzitten aan de tafel van de Heer.

Vreugde omdat wij het gemeenschapskarakter van Godsrijk aanvoelen;

Al vertelt de parabel over de parel en de schat over deze aarde, over het hier en nu, dan geeft deze toch het besef mee dat dit tevens een voorsmaak is.

Vreugde om het heil dat komen gaat. Eens komt de grote zomer.