Het komt ons niet toe!

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 233 niet laden
In de gelijkenis van het onkruid tussen de tarwe snijdt Jezus een probleem aan dat elke godsdienstige groepering bedreigt en daarom ook onze huidige eigen kerkgemeenschap. Want in elke gelovige gemeenschap is altijd weer het streven aanwezig naar een gemeenschap van mensen die precies beantwoorden aan de voorschriften die door een wet worden opgelegd.

Dat was ook in de tijd van Jezus zo. Zo wilden de farizeeën het reine volk van God zijn door alle geboden en verboden zo stipt mogelijk te onderhouden. De gewone man, die al die bepalingen niet kende, sloten zij uit. Op eigen initiatief en door eigen prestatie wilden zij voor God een heilig volk bereiden. Zij wilden liever een kleine kudde van reinen en getrouwen zijn, dan een grote gemeenschap waarin het niet duidelijk was wie tot de goeden en wie tot de slechten behoorde, en zonder er zich van bewust te zijn groeiden ze uit tot een sekte waarin alleen maar plaats was voor hen die zich zelf als goed en rein beschouwden.

Jezus gaat in tegen dit streven en daardoor roept Hij weerstand op bij de farizeeën. Hij wil het geknakte riet niet breken en de smeulende pit niet doven. Integendeel, Hij duldt allerlei mensen rond zich die volgens de opvatting van de farizeeën onrein zijn. Door de parabel die Jezus vertelt, wil Hij zeggen dat God heel anders denkt, dat Hij een heel andere houding aanneemt dan die fanatieke ijver van de farizeeën die alle onkruid direct wil uitrukken. God wil de mensen niet direct opsplitsen in goeden en kwaden. Met geduld en wijsheid laat God alles gebeuren. Hij zet de mensen niet in hokjes, maar geeft hun ruimte. De waarheid zal toch wel aan het licht komen. Wacht dus geduldig, wees niet voorbarig.

In Jezus' ogen is geduld blijkbaar noodzakelijk als het gaat om het Rijk van God. Hij weet maar al te goed dat mensen niet in staat zijn om tarwe en onkruid van elkaar te onderscheiden, want in de eerste groeiperiode lijken tarwe en het onkruid dat hier bedoeld wordt, erg veel op elkaar. Wie weet er wie bij het volk van God behoort en wie niet? Geloof kun je niet afmeten aan het al of niet onderhouden van regels en wetten. Niet de knechten van de meester en ook niet de dienaars van de Kerk kunnen dit uitmaken. Zij hoeven alleen maar de oogst binnen te halen. Bij het uitsnijden van dodelijke elementen zou men ook levende cellen kunnen vernietigen. Alleen God kan oordelen volgens het hart en niet volgens de bedrieglijke buitenkant.

Naast die nodige voorzichtigheid bij het onderscheiden van wat goed en kwaad is, is er bij Jezus nog een tweede reden om geduld te oefenen bij het opgroeien van de oogst, want niet wij mensen moeten het moment bepalen van de oogst. God zelf is de enige die daartoe de opdracht kan geven. Hij alleen bepaalt het uur van de voltooiing. De scheidingslijn tussen de tarwe en het onkruid zal dan tot onze verbazing midden tussen de mensen doorlopen, en wat voor onkruid werd gehouden, blijkt dan misschien tarwe te zijn en wat voor tarwe werd gehouden kan dan heel goed onkruid blijken te zijn. Daarom heeft geen enkele mens het recht tarwe en onkruid, goed en kwaad te scheiden, dat recht komt alleen God toe. De Kerk heeft geen ander recht dan mensen uit te nodigen om bij het volk Gods te komen, scheiding aanbrengen behoort niet tot haar taak en is zelfs in strijd daarmee.

Deze gelijkenis lijkt voor deze tijd geschreven, eigenlijk is elke com¬mentaar overbodig. Wat mij uit deze gelijkenis bijblijft, is dat Jezus zo vervuld is van Gods goedheid en geduld dat hij weigert de mensen in categorieën van goed en kwaad in te delen. Hij wil aan alle mensen kansen geven tot het einde toe. Het oordeel laat Hij aan God over. Wie zou ik, wie zouden wij zijn, als wij ons het oordeel zouden aanmatigen om te bepalen wie tot de Kerk behoort en wie niet? Het enige wat mij te doen staat is tarwe te zijn door met de mensen om te gaan zoals Jezus. Ook al zijn ze dan volgens de regels besmet, ze zouden in het oog van God zelfs reiner kunnen zijn dan zij vermoeden, reiner zijn dan ik, dan u.

Ook al is het onmogelijk om de tarwe van het onkruid te scheiden, toch is de verwisseling tussen goed en kwaad onmogelijk. Geen aar is uit het zaad van het onkruid voortgekomen, en geen onkruid uit de graankorrel. Het goede bewerkt het goede, en het boze, het boze. Het boze kan niets goeds voortbrengen.