Wat met het onkruid? (2008)

Vakantie biedt kansen om meer te kijken naar wat groeit, leeft en beweegt in de natuur.  De liturgie helpt ons daarbij.  Het is nochtans niet haar eerste bedoeling.  Drie zondagen na elkaar horen wij de derde grote rede van Jezus.  Hij is daarin heel attent op wat in de natuur gebeurt.  Ze wordt de rede van de gelijkenissen genoemd.  Ze is enerzijds eenvoudig, anderzijds gecompliceerd.  Jezus verwisselt van toehoorders.  Nu eens richt hij zich tot de grote menigte, dan weer tot zijn leerlingen.  De meeste aandacht gaat naar hen.  Hij vormt hen.  Er is al een scheiding aan de gang tussen de menigte en Jezus.  Zij hoort zijn woorden, maar wil (kan) ze niet verstaan.  Het dertiende hoofdstuk is wegens zijn plaats zowat het midden van het evangelie.  Ook omwille van zijn betekenis is het centraal.  In zeven parabels kan het ons duidelijker worden wat het koninkrijk inhoudt en wat het van ons vereist.  Dit hoofdstuk bevat niettemin veel vragen.  Wie bedoelt Jezus met die beelden?  Zichzelf, de toehoorders, de kerk, het rijk Gods, de weg van het evangelie?  Daarbij mag ons de situatie niet ontgaan van de gemeente, voor wie Matteüs schrijft..  Zij weet wat er met Jezus is gebeurd.  Zij is een kerk, die uitbreidt en in eigen midden al sporen opmerkt van afval, twijfel.

De vijftiende zondag trok de zaaier uit om te zaaien.  Vandaag is de zaaier alweer te been, maar hij doet een verrassende vaststelling.  Naast het goede zaad dat hij uitstrooide is blijkbaar slecht zaad meegekomen.  De verklaring is vrij eenvoudig.  De boze heeft dat gedaan.

Vanwaar komt het onkruid?  Het kan vlugger opschieten dan het goede zaad.  De knechten zijn verwonderd, ongeduldig; ze willen liefst een klare situatie scheppen.  De landeigenaar geeft een andere opvatting: "laat het samen opschieten."  Hiermee praat hij het onkruid niet goed.  De oordeelsdag komt om te schiften.  Matteüs hecht er veel belang aan: het graan scheiden van het kaf; de goede vissen van de slechte vissen, de schapen van de bokken.

De eigenaar is omzichtig.  Hij wil het goede gewas bewaren en duldt daarom het slechte.  Trekt hij daarmee een goede beleidslijn voor al wie later volgt?  Het probleem van dit samengaan is van oudsher een zorg voor de volgelingen van Jezus.  "Waar God een kerk bouwt, wil de duivel zijn kapelleken" (M. Luther).  Muggen en motten komen af op het licht.  Deze parabel heeft mensen vaak bezig gehouden en heeft niet altijd geleid tot een tolerant omgaan met andere meningen.  Het is balanceren tussen gestrengheid en laksheid.  Tussen engheid en relativisme.  Alles dulden?  Zichzelf als de enige goede affirmeren?  Volgens de uitleg die Jezus aan zijn gelijkenis geeft zijn wij niet de rechters en de maaiers.  De meester van de oogst is de Mensenzoon.

Het onkruid tussen de tarwe groeit evenzeer in eigen hart.  Hoe ga ik om met negativiteit?  Welke is mijn schaduwzijde?  Hoe krijgt het goede de bovenhand? 

De zeven parabels zijn voor de leerlingen motieven tot hoop.  Het zaad heeft zijn kracht.  Wat klein is kan groeien.  Dit horen de leerlingen op deze zondag in twee andere gelijkenissen.  Deze twee parabeltjes geven aan dat het kleine groot kan worden.  Het mosterdzaadje groeit op tot een grote plant; de gist doordringt een grote hoeveelheid deeg.  Jezus heeft zijn toehoorders verrast door het Rijk der Hemelen met zo iets kleins te vergelijken.  Zij hadden meer spectaculaire dingen verwacht van het Rijk Gods.

Wat een afstand tussen het nietige zaad en de plant met takken.  Het zou kunnen dat Jezus met het kleine zijn eigen werk bedoelt, dat kracht uitstraalt.  Dit ondervindt de gemeente van Matteüs als ze onder haar ogen de groei ziet van de boodschap van Jezus, die na Israël heidenen aanspreekt en bij hen wortel vat.  De grote boom, waar allerlei vogels zich kunnen innestelen, en de grote hoeveelheid doordesemde deeg is geen reden tot triomfalisme.  Onze huidige kerksituatie en deze van de wereld geeft daartoe weinig redenen.  Wij staan nog altijd dichter bij het mosterdzaadje dan bij de boom die het worden kan.  "Wat tegenwoordig aan hoop vanuit het evangelie waarneembaar is in onze wereld na Auschwitz ((vul aan met ‘na de Balkan, na Afghanistan, na Irak')), met zoveel plaatsen van honger en ongerechtigheid, en met angst voor de door de mens veroorzaakte ecologische catastrofen, is mosterdzaadje en zuurdeeg.  Dat deze kleine tekenen het begin kunnen zijn van het Rijk Gods is niet ervaarbaar of voorspelbaar.  Het hoort bij Gods verrassende beloften." (Luz II, 335).  Wij blijven nog altijd het kleine mostaardzaadje en het beetje gist.  Wij vertrouwen op de kracht die ze bezitten.  Wij denken aan Jezus zelf, die de weg gegaan is van het zaad, aan de aarde toevertrouwd, zaad dat moet sterven om te leven.