16e zondag door het jaar A (2005)

Beste dorpsgenoten,

De vorige week heb ik u verteld over Zuid-Amerika, n.a.v. de prachtige kalender voor het volgend jaar. En donderdagavond zag ik op het nieuws beelden uit Nigeria: uitgemergelde mensen en babies als geraamtes. Bijna niet om aan te zien. Dit keer was het niet Darfur, daar gaat de ellende gewoon door, maar Nigeria is in het nieuws waar door droogte en de sprinkhanen geen oogst te verwachten is en dus geen oogst als verbetering in de rampzalige toestand die er nu heerst.

En dan kom ik uit bij de tekst die u gehoord heeft in de eerste lezing: grote woorden over Gods zorg, Gods macht en Gods rechtvaardigheid.

En het evangelie dat vertelt over het onkruid dat de vijand gezaaid had tussen de tarwe. Een tegenvaller maar de eigenaar kon toch nog zeggen: "Slaat de tarwe op in mijn schuur." Op hoeveel plaatsen blijven de schuren leeg en wie is daar de vijand?

Dan volgen nog twee gelijkenissen die van het mosterdzaadje en die van de gist.

Over het mosterdzaadje bestaat een treffend oud chinees verhaal:

Er was een vrouw wier enige zoon stierf. In haar verdriet ging ze naar een heilige man en vroeg: "Kunt u tot God bidden dat hij mijn zoon weer levend maakt?" In plaats van haar weg te sturen of haar te beleren, zei hij tegen haar: "Breng me een mosterdzaadje uit een huis dat nooit verdriet gekend heeft. We zullen dat gebruiken om het verdriet uit uw leven te verdrijven."

De vrouw ging op pad. Eerst kwam ze bij een prachtig huis. Ze klopte aan en zei: "Ik zoek een huis dat nooit verdriet heeft gekend. Ben ik hier aan het goede adres?" Ze zeiden haar dat ze aan het verkeerde adres was en ze somden alle rampen op die hen de laatste tijd overkomen waren. De vrouw zei bij zich zelf: "Wie kan deze mensen beter begrijpen en troosten dan ik die zelf ongelukkig ben?" Ze bleef een poosje om die familie te troosten en toen ging ze verder op zoek naar het huis zonder verdriet. Maar waar ze ook kwam, in paleizen of hutten, steeds kreeg ze verhalen te horen over ongelukken en rouw.

Tenslotte ging de vrouw zo op in het luisteren en steun bieden aan anderen die verdriet hadden dat ze vergat om naar dat mosterdzaadje te zoeken. Haar eigen verdriet was er nog wel maar het was haar niet langer de baas.

In die vrouw die rondging en een vriend van mensen werd, mogen we een beeld van God zien dat ons meer doet dan de God uit de eerste lezing. Het is de God die in het kort gedefinieerd werd door kinderen van groep 7 en 8: "God bestaat niet maar hij is er wel."

In die geest mogen we ook de gelijkenis van de gist verstaan. Gist op de plank bij de winkelier betekent niet veel. Je kunt er hoogstens de scheikundige eigenschappen van beschrijven. Maar gist in het deeg, dat is iets heel anders: dan gebeurt er iets. Het deeg gaat rijzen en je bakt er brood van.

De God die prachtig beschreven wordt in de heilige boeken is God op de plank, juist als gist op de plank. Pas als mensen met elkaar solidair zijn en barmhartig met elkaar omgaat, is God er, en werkzaam zijn, zodat er brood op tafel komt.

Dat het zo moge worden.