Onkruid tussen goed zaad (Mt. 13,24 43)

Jezus gebruikt meerdere beelden om over het rijk der hemelen te spreken. Dit is best zo. Het laat zich niet in één beeld vatten. Het evangelie van de zestiende zondag door het jaar bevat drie verschillende beelden over dit rijk, dat hier op deze wereld aan het groeien is.

Geen enkel ervan is op eerste zicht spectaculair.

Een beetje gist in het deeg, een mosterdzaadje in de groentetuin, een korenveld, meer bepaald een tarweveld met daartussen onkruid.

Bescheiden

Waar haalt Jezus het vandaan om het rijk Gods met zo een onooglijk zaadje te vergelijken? Men zou eerder verwachten dat hij zou spreken over een cederplantje dat eens een grote ceder wordt op de Libanon (Ez. 17,2-10,22-24; 31,3-8). Hij haalt zijn boom van de toekomst in de groentetuin en verkiest daarvoor een mosterdzaadje.

Deze keuze beantwoordt aan zijn eigen manier waarop hij zijn opdracht vervult. Jezus spreekt over zijn eigen werken. Hij treedt niet spectaculair op met legioenen, die zijn Vader zou zenden, maar in verborgen exorcismen en genezingen. Ze tonen het aanbreken van het rijk van God.

Jezus houdt geen verkiezingsspeech. Hij pakt niet uit met grote beloften en etaleert geen macht en prijkt niet met torens. Hij spreekt over kleine dingen, waar veel toekomst insteekt, van zaad met kiemkracht dat aan de aarde moet worden toevertrouwd, van gist in het meel en het wonderbaar proces van het deeg.

Van de drie beelden, mosterdzaadje, gist in het deeg en het tarweveld, krijgt het derde de meeste aandacht, vooral wegens het onkruid tussen de tarwe.

Zelfs een leek in het vak zal bij deze parabel laten opmerken dat er nu toch andere middelen bestaan om onkruid te verdelgen. Trouwens bij een wandeling ziet hij zelden nog onkruid. Zelfs blauwe korenbloemen en rode papavers zijn haast verdwenen tenzij deze gezaaid om de Grote oorlog te herdenken. Het onkruid dat Jezus hier aanduidt en dat zijn toehoorders onmiddellijk herkenden was het giftige gras.

Goed zaad

Jezus gelooft dat goed zaad is uitgestrooid. We mogen dit geloof en het vertrouwen van de zaaier in de kracht van het zaad zelf niet opgeven. “Het Woord Gods haalt zijn kiemkracht uit zichzelf, niet uit onze bijdrage, uit onze overdreven bezorgdheid en zeker niet uit onze verificatiehonger” (Kardinaal Danneels op de Bisschoppensynode over het Woord Gods in het leven en de zending van de Kerk).

Jezus is zelf het goede zaad, toevertrouwd aan de aarde en opgestaan tot leven. Zijn we in staat om dit te verkondigen in een passende taal voor de mens op zoek naar meer? Thomas Hürliman, een Zwitsers auteur met katholieke achtergrond en nu met veel terughoudendheid daartegenover, spreekt over Glaubensdistanz und Glaubenssehnsucht, enerzijds het afstand nemen van het geloof en anderzijds het verlangen en heimwee ernaar. Hij vraagt zich af of de kerken daar goed mee omgaan.

“Zijn we nu de getuigen van de laatste stooptrekkingen van een oude eerbiedwaardige instelling, die met een teruglopend aantal kerkbezoekers te kampen heeft en naar een priesteraangroei gaat, die bij het nulpunt ligt? Is de oriënterende kracht van de grote woorden van het geloof opgebruikt en de zin ervan verdampt? Of zouden die verborgene schatten die deze kerk in haar olifantengeheugen bewaart, nieuw naar boven moeten gehaald worden en aan de religieus zoekende tijdgenoten aangeboden worden in een bij de werkelijkheid aansluitende en passende taal? Ongetwijfeld geniet de kerk door haar solidaire inzet voor zieken, armen en migranten maatschappelijke erkenning.” De diaconale dimensie behoort zeker tot het wezen van de kerk. Niettemin had Thomas Hürlimann in een voordacht die hij in Wenen hield, hierbij een onbehagen. Een kerk die zich publiek vooral definieert en laat definiëren door haar praktische hulpverlening en maatschappelijke efficiëntie verliest haar kernopdracht uit het oog: het geloof toegankelijk maken voor hen die hun „metafysische antennen” opnieuw uitgezet hebben. Wat minder geroutineerde sociaal retoriek en wat meer inhoudelijke geloofsoverdracht is daarom aangewezen. Wij moeten in herinnering houden dat het horizontale niet alles is (Samenvatting door Jan-Heiner Tück van een voordracht van Thomas Hürlimann over Glaubensdistanz und Glaubenssehnsucht in Christ in der Gegenwart 24/2016)

Vanwaar het onkruid?

De parabel geeft geen verklaring over het onkruid, tenzij dat een vijand, een tegenstander het onkruid er tussen in gezaaid heeft. De boze kan veel listen gebruiken. Het is ooit gebeurd in 1978 dat giftige stoffen zoals kwik in Israëlische export-sinaasappels werden ingespoten! Hoeveel onkruid steekt er in de berichtgeving van elke dag?

De eigenaar van het korenveld geeft een voorzichtig antwoord. Hij is een man met groot geduld. Hij gelooft dat bij de oogst het goede overwint. Laat beide samen opgroeien tot de oogst. Met tarwe en onkruid kan dit wel. Maar als het onkruid de tarwe overwoekert, moet er dan niet vlugger opgetreden worden? Rigoristen en rekkelijken geven hierover verschillende antwoorden. Veroordelen of dulden? Inquisitie? Tolerantie en nultolerantie?

Deze joodse landbouwer lijkt een Frans gezegde toe te passen: “Le mieux est parfois l’ennemi du bien.” Je kunt het beste wensen, maar daarmee het goede te niet doen. Wie er op uit is altijd meer te willen dan wat hij heeft, riskeert te verliezen wat hij bezit.

Leerschool

Jezus geeft bij deze parabel alweer aan zijn leerlingen een eigen toelichting en verklaring. Hij wachtte ermee toen zij terug thuis waren (Mt. 13,36). De leerlingen kunnen hun vragen voorleggen en Jezus geeft antwoord. Zo zijn ze in een permanent leerproces bij Jezus, hun enige leraar (Mt. 23,8). Hij brengt hen het inzicht bij dat de Heer geduld heeft, dat hij die het eerste woord heeft ook het laatste woord heeft, dat hij rechter is, dat hij oordeelt bij de oogst van zodra het maaien is begonnen. Zij horen eveneens dat Jezus, die zijn optreden was begonnen toen Johannes was gevangen genomen (Mt. 4,12) en over hem een getuigenis had afgelegd (Mt. 11,1-18), dat hij Johannes bijtreedt, die had gezegd: “Elke boom die geen vrucht draagt wordt omgekapt en in het vuur geworpen” (Mt. 3,10).

Jezus verwacht dat wie naar hem luistert, vruchten voortbrengt. Wat hij thuis tot zijn leerlingen zegt is bedoeld om het daarbuiten te verkondigen. Wanneer Jezus, de Mensenzoon, zelf de weg van het zaad is gegaan zal hij zijn leerlingen zenden om dit overal te verkondigen. We zaaien met het risico dat onkruid zich mengt met het goede zaad.