“Zo te zien komen er moeilijke tijden aan....we worden voor grote uitdagingen gesteld en ons leven aanpassen zal de boodschap zijn....
Zorg goed voor jezelf en weet dat je indien nodig altijd beroep op mij mag doen hè!”
Dit was een mail bij het begin van de corona-pandemie in maart 2020. “Je mag op mij beroep doen” Weten dat je naar iemand toe mag gaan wanneer het nodig is, dit is een geruststelling en een reden om dankbaar te zijn.
Is dit niet het goede nieuws dat Jezus ons elke dag zegt en dat hij vandaag heel uitdrukkelijk verwoordt: “Komt allen tot Mij die uitgeput zijt en onder lasten gebukt, en Ik zal u rust en verlichting schenken” (Mt. 11,28).
Veel mensen in Israël zijn met hun zorgen en noden naar Jezus toegegaan, naar Hem, naar Jezus die door medelijden bewogen was. “Jezus ging rond door alle steden en dorpen, waar Hij onderricht gaf in hun synagogen en de Blijde Boodschap verkondigde van het Koninkrijk en alle ziekten en kwalen genas” (Mt. 9,35-36).
Jezus zag de noden van de mensen, hun pijn en zorgen. Hij zag ook hoe mensen gebukt gingen onder lasten die hen werden opgelegd door de eisen van de Wet en langs de vele voorschriften en verordeningen door politieke en religieuze instanties. Jezus stelt zijn toehoorders voor om Hem te volgen en het juk te aanvaarden, dat hij zelf draagt. Het is het juk van de liefde en de trouw (Joh. 13,34; 15,12. “Iedereen die gelooft dat Jezus de verlosser is, is een kind van God. Welnu, wie de vader liefheeft, bemint ook het kind. Willen wij God liefhebben en zijn geboden onderhouden, dan moeten wij ook Gods kinderen liefhebben. Dit is onze maatstaf. God beminnen, wil zeggen zijn geboden onderhouden” (1 Joh. 5,1-3).
Wie uitgeput is, wie lijdt ziet meestal enkel nog het eigen leed, en zit opgesloten in zichzelf. Het gaat deze jaren niet zo goed met het mentaal welzijn van mensen, ook niet bij jongeren. Het aantal depressies neemt toe. Er is een opvang door therapeuten en psychiatrische centra. Een aantal van hen vindt steun en begrip bij de dienst Pastoraal en Zingeving. Ze kunnen kracht vinden door op te zien naar Jezus, die langs de voorstelling van het Heilig Hart rust kan brengen.
“Neem mijn juk op uw schouders en leer van Mij: Ik ben zachtmoedig en nederig van hart; En gij zult rust vinden voor uw zielen, Want mijn juk is zacht en mijn last is licht” (Mt 11,29).
Deze tekst is goed bekend vanuit de viering van de Eerste Vrijdag, al is deze devotie wat afgevlakt.
De Heilig Hart verering heeft in de voorbije eeuwen een impuls gegeven aan de oprichting van een aantal zorginstellingen, klinieken en hospitalen. Zijn beeld prijkt op de voorgevel van het psychiatrisch ziekenhuis Karus Melle, in 1908 opgericht onder de naam Caritas door de Zusters van Liefde van Jezus en Maria. Kanunnik. Triest, de stichter van de Zusters van Liefde, van de Broeders van Liefde en van de Zusters van de Kindsheid Jesu, had een grote verering voor het heilig Hart van Jezus. Het is afgebeeld in het centrale glasraam in de kapel van Caritas/Melle, naast dit van de heilige Bernardus en de heilige Vincentius.
Marcella, een gekende figuur in het psychiatrisch woon en zorgcentrum zong heel gaarne. Ze zong graag over de engelbewaarder, maar ook over het Heilig Hart. Ze deed dit met het lied van de zalige priester Poppe:
Door zovele lieve kleinen
wordt Gij, Jezus, niet bemind.
Kom ze spijzen, Vriend der reinen.
Word hun Koning, Kindervriend.
Koning van de zielen die U minnen, hosanna.
Koning van de christen-huisgezinnen, hosanna.
Jezus, Opperkoning van de maatschappij, U aanbidden wij.
Heilig Harte van Jezus, ons toekome Uw Rijk.
In zo menig mensenwoning
wordt Gij, Jezus, niet bemind.
Treed er binnen, word er Koning,
liefderijke Mensenvriend.
Ach, en in zovele landen
wordt Gij, Jezus, niet bemind.
Word nu Koning aller standen,
wees de grote Volkenvriend.
Ach, Jezus, velen gaan voorbij aan deze oproep. Jij lijkt door hen vergeten en Jij zijt hen onbekend. Het is juist jouw grote vreugde wanneer de mensen, en vooral de kleinen en de kinderen vatten wie Je bent, verbonden met de Vader.
Wek mijn zachtheid weer
Geef mij terug
De ogen van een kind
Dat ik zie wat is.
En mij toevertrouw
En het licht niet haat
(Huub Oosterhuis)
Jezus heeft een lof en danklied gezongen, een korte hymne. “Ik prijs U, Vader, omdat ge deze dingen hebt geopenbaard aan kinderen.” Hij is erover verheugd, al had hij kort voordien zijn ontgoocheling uitgesproken over plaatsen als Chorazin, Betsaïda, Kafarnaïum die Hem niet aanvaard hadden (Mt. 11,20-24).
Het toont dat Jezus ook gevoelig is voor het onthaal dat hij ontvangt en voor wie hem begrijpt en vat wie hij is.
Ja, wie is Hij? ‘Jezus is maar een gewone mens’, zei Robert onlangs tijdens een gesprek. Ja, Jezus was door en door mens, aan ons gelijk, maar niet in de zonde. Hij is de enige onder de mensenkinderen die zich de Zoon mag noemen van de Vader.
“Ja, Vader, zo heeft het U behaagd. Alles is Mij door de Vader in handen gegeven. Niemand kent de Vader tenzij de Zoon en hij aan wie de Zoon Hem wil openvaren.”
Dit is een zeer verheven boodschap, centraal in het evangelie dat wij vandaag mochten horen met drie belangrijke thema’s:
Eerst een danklied (Mt. 11,25). Vervolgens een uitspraak over de verbondenheid van Jezus met zijn Vader (Mt. 11,27),
En de derde gedachte; zijn zorg voor al wie uitgeput is en naar Hem toe mag gaan (Mt. 11,28-30).
We weten aan wie wij ons mogen toervertrouwen en bij wie we ’evenals een moede hinde’ rust mogen vinden.
Hart onrustig, vol van zorgen,
vleugellam geslagen ziel,
hoop op God en wees geborgen:
Hij verheft wie nederviel.
Eens verschijn ik voor de Heer,
vindt mijn ziel het danklied weer.
Hij, mijn God, Hij heeft mijn leven
dikwijls aan de dood ontheven
(ZJ 304)
Het is een evangelie dat oproept tot tedere en hartelijke zorg van mensen voor elkaar. Paus Franciscus twitterde op 29 januari 2019: « La douceur et la tendresse: ces vertus humaines semblent petites, mais elles sont capables de surmonter les conflits les plus difficiles » (@Pontifex_fr).