Identiteit en Naam (2008)

In deze viering wil ik het hebben over identiteit en ook over de plaats van onze naam daarin. Ik ben op dat thema gekomen omdat ik de laatste tijd al eens meer terug denk aan vroeger en mij er dan af en toe over verwonder, wat van mij doorheen alle soms toch ingrijpende veranderingen, toch een zelfde ‘ik' maakt. Ik wil het dan niet hebben over de grote vraag ‘wat voor iemand ben ik eigenlijk', maar wel over een persoonlijk aanvoelen van eigenheid en ‘ik' en hierover wat filosoferen.

Mijn eerste idee is dat mijn eigenheid er voor mij niet in bestaat dat ik een heel speciaal of uniek iemand ben maar wel dat ik iemand ben, een eigen ‘ik'. Dat uit zich al hierin dat mijn ervaringen, emoties, ideeën en gepieker alleen van mij zijn en als dusdanig niet door anderen beleefd worden. Al deze ervaringen maken mijn ik uit. We kunnen dat goed vaststellen bij sterke ervaringen of emoties: van schoonheid, van vreugde, van wanhoop of verdriet, van lukken en mislukken, aanvaarding of afwijzing. Ergens ben ik mij dan goed van mezelf bewust. Het ik wordt dan intenser beleefd.

Eigenheid beleef ik ook hierin dat ik een zekere autonomie en keuzevrijheid heb. Dat ik niet te koop ben en ook geen slaaf. Ook dit is een dimensie van identiteit die meer of minder intens kan ervaren worden. De omstandigheden gunnen ons soms niet veel autonomie of we komen energie of consequentie te kort. Maar wie momenten van echte autonomie ervaren heeft, kent het gevoelen dat men dan echt zichzelf tegenkomt en zijn identiteit ahw aanraakt.

De beleving en invulling van je autonomie heeft ook iets te maken met het beeld , zelfbeeld (‘wat voor iemand ben ik') en ideaalbeeld (‘hoe wil ik zijn'), dat je van jezelf hebt. Sommige mensen zijn sterk begaan met zulk een zelfbeeld, met de vraag wat voor iemand ze eigenlijk zijn. Anderen zijn daarin wat pragmatischer en minder veeleisend. Maar iedereen hanteert toch zo wat een (wellicht wisselend) beeld van zichzelf en van zijn plaats tegenover anderen en in de samenleving . Als dat ‘klikt' doordat men als zodanig aanvaard wordt, dan voelt men zich goed in zijn vel, in zijn ‘ik'. Zo niet dreigt de identiteitscrisis.

Het is ook in een diepere zin duidelijk dat het ik in relatie met anderen opgebouwd en gevormd wordt. Een kind dat in de eerste levensmaanden geen geborgenheid en genegenheid ondervindt, zal met moeite een stabiel en stevig ik kunnen opbouwen. En heel ons leven lang zullen anderen een grote rol spelen in de opbouw van onze identiteit, in het beeld dat ik me van mezelf maak, in de invulling van wat ik met mijn ik wil doen, in de emoties en ervaringen die mijn diepste ik tekenen en kleuren.

Als we nu ondanks alle, ook grote, veranderingen in ons leven toch ook ‘dezelfde', het zelfde ‘ik' gebleven zijn, dan is dat, vind ik, omdat een zelfde ik een verhaal beleefd heeft, een geschiedenis heeft meegemaakt, ook al is hij/zij in de loop ervan veranderd. De eigenheid ligt denk ik niet zo zeer in een onveranderlijkheid dan wel in het eigen verhaal. Ik denk dat daarom herinneringen (aan mensen, plaatsen, gebeurtenissen) zo belangrijk kunnen zijn (of worden) in je identiteitsbeleving en dat melancholie en heimwee hun plaats komen opeisen. Maar opdat je levensverhaal een mooi verhaal zou zijn en het verhaal van ‘iemand', moet er wel iets van trouw in teruggevonden worden, trouw aan eigen overtuigingen en aan wat je als je kern ervaart die je niet ten gronde kunt verraden. Zonder deze trouw aan een kern is er geen verhaal van een blijvend ik , maar krijg je als het ware een soort bloemlezing van verhalen van verschillende auteurs. Deze kern verwijst niet naar een uitgewerkt handboek van reglementen, maar ervaar ik op twee manieren. Er zijn een aantal grondhoudingen die je niet wil prijsgeven zoals: mensen niet manipuleren, geen onrecht aandoen, niet verraden. En er is het bewustzijn dat ik ‘iemand' ben en dat het daarom in bepaalde omstandigheden niet onverschillig is of ik zo of zo handel en ik het aan het eigen ik verplicht ben te doen wat ik als ‘juist' aanvoel.

De manier waarop wij deze kern zien is voor mij de essentie van religiositeit. Het is m.i. deze kern die als het ware door God ingeplant werd en gekoesterd wordt, die in bezinning en meditatie opgeroepen beter gekend wordt en die in de relaties met mensen verder gevormd wordt.

Onze naam is als een symbolisch ankerpunt voor identiteit. Een soort houvast, een ervaring van een blijvend en herkenbaar ik in de wisselvalligheden van ons leven. Niet toevallig hechten ouders dikwijls veel belang aan de keuze van een naam voor hun kind. Het kind wordt (gewoonlijk) al met een naam geboren, het is die naam. Zonder naam geboren worden lijkt op een gebrek aan liefde of aan interesse, het is een beetje alsof men eigenlijk niet bestaat, niemand is voor niemand. Iemand die veel in contact komt met de situatie in Darfour vertelt dat gezien de hoge kindersterfte daar, ouders hem zegden dat ze een tijdje wachten vooraleer hun kind een naam te geven, omdat ze eerste wilden zien ‘of zijn zieltje bij ons wil blijven...'

Wie met zijn/haar naam tevreden is, vereenzelvigt zich ermee en is gevoelig voor het gebruik ervan. Wie André Benoit heet, wordt niet graag als Benoit aangesproken door mensen die denken dat ze je voornaam gebruiken. Je herkent je daar niet in, dat ben jij niet. Mensen veranderen soms van voornaam. Ook wanneer dit om eerder modieuze redenen gebeurt (zoals zich van een oubollige voornaam ontdoen), wijst het toch op een band tussen je naam en je zelfbeeld. Maar ik heb ook iemand gekend die na de dood van haar partner een andere voornaam ging gebruiken.
De naam -en vooral de voornaam- wordt als iets intiems ervaren. Iemand die je sympathiek vindt, wil je met de voornaam aanspreken maar je durft het soms niet zo meteen omdat je dan misschien te dicht bij lijkt te willen komen. Zelf wil je graag met de voornaam aangesproken worden door wie je waardeert en graag hebt, maar voel je het een beetje als een aanslag op je persoonlijke integriteit en privacy wanneer bepaalde anderen dit ongevraagd en ongegeneerd doen.
De naam roept ook de persoon op. Het noemen van de naam kan in een sfeer van toverkunsten geassocieerd worden met macht over die persoon. In de sfeer van de verliefdheid brengt het opschrijven of voor zichzelf uitspreken van de naam, de afwezige geliefde in relatie met jou. Het brengt al een vertrouwelijke band met de andere tot stand. Vandaar de vele opschriften op muren en schoolbanken of in de schors van de bomen in het bos: "André" en "Mia".

Het is niet verwonderlijk dat de naam ook in de religieuze sfeer een belangrijke plaats krijgt en sterk geassocieerd wordt met onze identiteit in religieuze zin. In de doopritus vraagt de priester aan de ouders welke naam ze aan het kindje gegeven hebben en zegt dan "moge deze naam geschreven staan in het Boek van het Leven, in de palm van Gods hand". En in de uitvaartliturgie komt deze mooie tekst voor: "Meer dan zijn lichaam is ons de naam gebleven van deze mens. Die naam spreken we hier uit, met eerbied en genegenheid. En wij bidden: Heer God, herinner u zijn naam die hij van mensen heeft gekregen en waarin hij gekend is, ook na zijn dood. Die naam hebt gij geschreven in de palm van uw hand". Onze naam wordt hier gezien als een verwijzing naar onze identiteit, onze kern, die bij God gekend is maar die voor ons moeilijk te beschrijven of te vatten is en die we oproepen via het symbool van onze naam.

In sommige Bijbelpassages gaat men verder, wordt door God een naam opgelegd en wordt aan die naam een specifieke betekenis of zending verbonden (vb. Abraham ipv Abram, Sara ipv Sarai; uw vrouw zal u een zoon baren en gij zult hem Isaak noemen (Abraham), en gij zult hem Johannes noemen (Zacharias), en gij zult hem Jezus noemen (Maria) ).

En hoe gaat God met zijn naam om? Het best kennen we de waarschuwing uit de Decaloog dat we de naam van God niet lichtvaardig mogen gebruiken. Een uitspraak die me doet denken aan het beeld van God die verschijnt in een brandend braambos, onbereikbaar en waarnaar men niet kan kijken zonder verblind te worden. Het gaat o.m. om een oproep tot respect voor de naam en voor het wezen dat die naam draagt. Het doet mij (alle verhoudingen in acht genomen) wat denken aan wat ook wij voor onze naam en onze identiteit verwachten.

Maar gelukkig is dat niet het enige dat God over zijn naam zegt. In Exodus vinden we hierover de mooie passage die we zo meteen gaan beluisteren. Mij vallen de twee dimensies op in de naam die God zich geeft. Enerzijds noemt hij zich gewoon als degene die is, alsof hij het zijn zelf is, met zichzelf samenvallend ik. Maar wanneer hij aan Mozes zegt ‘hij die is, zendt u' dan klinkt dat voor mij alsof de roeping van de mens tot dit zijn zelf van God behoort. En in dezelfde richting gaat ook de uitspraak: zeg aan de Israëlieten dat ik voor altijd de God van je voorouders wil heten. M.a.w de naam waarmee God zijn identiteit te kennen geeft is gebaseerd op relaties met de mens, op geschiedenis en dus niet alleen op een afgesloten, ongenaakbaar zijn. (Exodus 3, 13-15)

Mijn moeder is mijn naam vergeten (Neeltje Maria Min)

Mijn moeder is mijn naam vergeten,
Mijn kind weet nog niet hoe ik heet.
Hoe moet ik mij geborgen weten?

Noem mij, bevestig mijn bestaan,
Laat mijn naam zijn als een keten.
Noem mij, noem mij, spreek mij aan.

Voor wie ik liefheb wil ik heten.