De man in het tolhuis (2008)

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 198 niet laden

TOLWEG

Bij een vakantiereis in Frankrijk hoort ook het beeld van een tolpoort. Ineens verbreedt de weg zich in wel twintig vertakkingen. Het is even zenuwachtig gokken welk poortje het snelste is, en meestal zit je, net als bij de kassa, toch verkeerd. Wisselen van strook levert nijdig getoeter op links en rechts en achter je. Je komt in een kleine file te staan. Vroeger moest je dan francs gaan tellen en vooral: je moest de Franse telwoorden kennen, maar met de euro is het eenvoudiger geworden. Achter een hoog loket zit een vrouw. Ze is niet geïnteresseerd. Ze zit er al vanaf zeven uur die ochtend. Ze heeft nog vier uur voor de boeg. Wat een baan! Ze maakt een ongeduldig handgebaar waarvan ik de betekenis niet begrijp. Ze kijkt me niet aan. In haar rechterhand houdt ze een mobiele telefoon. Ik erger me. Kan het niet wat vriendelijker? Maar ik ken de vrouw niet. Zou ze kinderen hebben? Zou ze getrouwd zijn? Zou deze vrouw in haar tolhuisje gelukkig zijn? Of is ze door haar man bedrogen en in de steek gelaten? Is haar dochter depressief en rust de zorg voor twee moeilijk opvoedbare kleinkinderen op haar schouders? Ten einderaad heb ik haar mijn visakaart gegeven. Even later geeft ze hem terug Het licht springt op groen. Ik laat haar achter. Vier uur zal ze er nog zitten. En morgen weer. Ze is blij dat ze werk heeft.

TOLHUIS

Jezus nadert het tolhuis. Dit tolhuis is iets heel anders dan de poort op de autobaan. In de bijbel is het ‘t kantoor van een pachter. Matteüs had het innen van de belasting gepacht.
De Romeinen hadden slechte ervaringen in de provincie. De onderworpen volkeren betaalden niet graag belasting. Niemand betaalt graag zijn eigen onderdrukking. En dan gebruikten de Romeinen ook nog munten waarop hun keizer als een god vereerd werd. Belastingheffing had al vaker tot opstand geleid. Daarom hadden de Romeinen de inning van de belastingen geprivatiseerd. Een bepaalde provincie moest elk jaar een bepaalde som belasting opleveren. Als je nu een rijke jood was, dan kon je die som ineens, ‘lump sum', aan de Romeinen betalen. Daarvoor kreeg je het recht om het in de loop van het jaar te innen. Hoe je daarbij uitkwam mocht je zelf bepalen. Je kon dus de rente en een winstmarge doorberekenen. Tollenaars waren geen Romeinse beambten. Het waren particulieren die zich verrijkten in bezettingstijd en die de vraatzucht van de vijand exploiteerden.

TOLPACHTER

Voor een goed begrip. Stel je eens voor dat de politie in Voerendaal jaarlijks voor 200.000 euro aan bekeuringen int - ik noem maar wat -, en dat ze dan per veiling het recht om te bekeuren ging verkopen. Ik beloof ze 250.000 euro en betaal dat ineens. Zij zijn van alle problemen af en kunnen andere dingen gaan doen. Ik moet dit geld bij elkaar zien te krijgen en liefst nog veel meer. U kunt zich voorstellen hoe gehaat ik me maak, zeker als zich dit tijdens een bezetting zou afspelen.
Jezus komt langs het tolhuis. Hij ziet de man. Hij ziet dat hij niet gelukkig is. Dat hij op gespannen voet leeft met zijn oude idealen en de waarden en normen van zijn vader. Hij ziet hoe hij gebukt gaat onder de minachting van zijn dorpsgenoten. Hij ziet onder zijn schraapgedrag de angst voor het leven. Hij ziet de mens in Matteüs en dat had deze niet eerder meegemaakt. Matteüs wordt zijn leerling, en het dorp spreekt er schande van.

BARMHARTIGHEID

Jezus heeft een goede reden om te doen wat hij doet. Hij wil zijn leven zo inrichten als God van hem vraagt. En God wil geen offers maar barmhartigheid. Dus begin er maar mee, in je eigen huis. Barmhartig zijn. Niet rechtvaardig, niet tolerant, nee, barmhartig moet je zijn. Je moet je medemens confronteren met de milde ruimte van God, want die brengt een mens tot leven, die laat een mens groeien en tot zichzelf komen. En terwijl Jezus op Sabbat het maal bij de belastingpachter geniet, hoort hij de roddel van de mensen. En Jezus wordt fel: ‘Jullie moesten eindelijk eens doorhebben wat het zeggen wil: God wil geen offers maar barmhartigheid!' Zouden we het eens proberen vandaag, om barmhartig te zijn?

BOZE STIJN

Lieve kinderen. Bij Jill in de klas zat een vervelende jongen. Hij heette Stijn en hij was een kop groter dan de rest. Stijn liep altijd rond met een stok in de hand. Daarmee mepte hij keihard op vuilnisbakken, regenpijpen, wachthuisjes, brievenbussen en soms op schooltassen en fietsen. Het voordeel was dat je Stijn al uit de verte hoorde aankomen. Het nadeel was dat iedereen een beetje bang voor hem was. Stijn was bijna altijd boos en dan liep hij te tieren en te vloeken. Ook in de klas! Dan struikelde hij zogenaamd over een stoeltje zodat dit over de grond rolde. Als de juffrouw er iets van zei, dan was hij boos. ‘Hij was gevallen. Hij was gewoon langsgelopen.' Maar Stijn liep nooit gewoon langs, overal waar hij kwam vielen boeken, potloden, gummen, knuffels en etuis van de tafeltjes.
Vandaag was de juffrouw jarig. Ze had iedereen op een ijsje getrakteerd. Er was er nog eentje over. Het is jammer om dat te laten smelten, zei de juf. De kinderen voelden ‘m aankomen. Ze gingen allemaal netjes rechtop zitten met hun braafste gezicht. ‘Dat ijsje is voor...' De juf keek de klas rond. Stijn zat zowat met zijn rug naar de juf toe. Onder zijn tafeltje was hij stiekem aan het sms-en. ‘Dat ijsje is voor... Stijn!' ‘Wat?! Voor Stijn?' ‘Dat is niet eerlijk!' ‘Stijn doet altijd zo stom?' Toen het stil was zei de juf: ‘Als we de wereld voor Stijn een beetje mooier maken, dan hoeft hij ook niet meer zo boos te zijn.'