Barmhartigheid wil Ik, en geen offer! (2008)

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 538 niet laden
Ergens in mijn geheugen zit de herinnering verstopt dat ik als kleine jongen in de bus stond. De anderen onder wie mijn vader, zaten iets verderop, en op dat moment was ik alleen. Ik heb werkelijk geen idee meer wat ik voor vreselijks ik toen gedaan moet hebben - waarschijnlijk zei ik iets terug omdat ik het niet met haar eens was - maar een mevrouw bij ons uit de straat die zei toen op tamelijk harde toon tegen me: "Zo brutaal als de beul, en dat gaat elke zondag naar de kerk." Nu gaat het er mij niet om of ik al dan niet fout zat, of dat die mevrouw onredelijk tegen mij was, maar sinds die dag weet ik dus dat er kennelijk andere regels en verwachtingen gelden, als je op zondag naar de kerk gaat, als mensen jou van de buitenkant zien als een gelovige. Op zich heeft voor mij wat andere mensen al dan niet over ons vinden, niet de eerste prioriteit, maar wel dat we daardoor onszelf de vraag mogen stellen: Klopt die kritiek? Maken wij in het dagelijks leven wel waar wat we in ons geloof belijden?

Vandaag hoorden wij tot drie maal toe dezelfde tekst: "Barmhartigheid wil Ik, en geen offer", in de eerste lezing, in de tussenzang, en in het evangelie (Hosea 6, 6; Psalm 40, 7; Matteüs 9, 13). Nog twee keer (1 Samuël 15, 22; Matteüs 12, 7), dus in totaal vijf keer in de Bijbel komt het voor, dat we God horen zeggen: "Barmhartigheid wil Ik, en geen offer."

Op vele andere plaatsen komen we, met andere woorden, dezelfde boodschap tegen, bijvoorbeeld bij de profeet Amos, en zoals gebruikelijk bij Amos in scherpe bewoordingen. Daar zegt God: "Jullie offers en gebeden, jullie feesten en vieringen, ze maken me ziek. Ik kan ze niet verdragen. Stop er maar mee." (Amos 5, 21-23), en God voegt er aan toe: "Wat Ik wel wil horen, is dat mensen recht wordt gedaan, dat gerechtigheid zegeviert." (Amos 5, 24) De kritiek is dat men zich wel aan de geboden houdt die met God te maken hebben, maar niet aan de goede menselijke verhoudingen, terwijl de goede menselijke verhoudingen de wezenlijke uitwerking zzijn van de geboden over God. Anders wordt liturgische praal schijnheiligheid. We mogen zelfs ook denken aan de Tien Woorden, aan de Tien Geboden die we vanouds leerden. Die maken duidelijk dat er geboden zijn die met God van doen hebben, (Exodus 20, 2-11) die hun uitwerking vinden in geboden over onze omgang met elkaar. (Exodus 20, 12-17)

Je denkt een goede gelovige te zijn omdat je je braaf houdt aan de religieuze wetgeving, maar je verstaat niet (of erger nog: je wilt niet verstaan) waar het bij die religieuze wetgeving uiteindelijk om gaat, lees: waar het God om gaat. Wie dat wel wil verstaan, leert steeds opnieuw: ware Godsdienst is (ook) mensendienst.

Dit besef leidt als vanzelf tot zelfreflectie, tot de kritische vraag die elke gelovige zichzelf af en toe moet stellen: zijn mijn geloofsbeleving en mijn omgang met mijn medemensen (in nood) wel met elkaar in overeenstemming? Geloven is niet alleen bedoeld om mezelf beter te voelen. Geloven is geen zekerheid dat God daarom blij met je is, en je zal belonen. Vandaag horen we God zelfs zeggen: Wat koop Ik voor al jullie gebeden en offers en al jullie vrome gebruiken, als je niet bereid bent om je in te zetten voor je naaste, je medemens in nood, voor een betere wereld?! Liefde voor God uit zich, dient zich te uiten, kan zich niet beter uiten dan in dienst aan de mensen.

De mensen over wie Hosea in de eerste lezing spreekt, de inwoners van Israël, Efraïm en Juda, zijn zeker niet van slechte wil. Ze spreken hardop uit: "Wij willen de HEER liefhebben. Wij willen moeite doen om Hem te kennen." Alleen, als God ze dan (bij monde van de profeet Hosea?) antwoordt, blijkt: "Jullie intenties zijn wel goed, alleen is jullie vroomheid als de morgennevel, als de dauw die 's morgens meteen weer verdwijnt als de zon opkomt."

Over die goede wil en over de noodzaak én de kansen om te veranderen gaat het ook in het evangelie, als Jezus tegen de tollenaar zegt: "Volg Mij." Alleen Matteüs zegt ons dat deze tollenaar Matteüs heet. De suggestie van Matteüs is natuurlijk dat het over hemzelf gaat. Jezus weet wel dat hij een tollenaar is, dat hij niet perfect is, en grote fouten maakt, maar Jezus laat het daar niet bij zitten, ziet de kans en biedt Matteüs de gelegenheid om uit deze ongelukkige, slechte situatie te komen, een nieuwe start te maken. Hij is al een ijverig mens, alleen voor de verkeerde dingen; als hij eens geholpen werd dit om te buigen [= omkeren, bekeren!] is er een wereld gewonnen, voor hemzelf en voor heel zijn omgeving.

Jezus zegt: "Ik kom niet alleen voor de mensen die het al goed gaat, die het al goed doen. Wie gezond is, heeft geen dokter nodig. Ik kom voor wie ziek zijn, wie genezing nodig hebben." Heel vaak horen we dat Jezus zieken geneest. Net hiervoor nog geneest Jezus de lamme en vergeeft hij zijn zonden; en op beide manieren, door het genezen en door het vergeven, reikt hij nieuwe kansen aan wie vastgelopen zijn.

Nu horen we dat wij ook ziek kunnen zijn door onze manier van leven, en dat Jezus ons dan zegt: "Maar dat kan beter. Jíj kunt beter. Jij kunt beter worden. Volg Mij." En Matteüs volgt hem en wordt een van de twaalf, en - zo laat hij ons vermoeden - een evangelist. Enerzijds een enorm troostrijke gedachte: we hoeven niet perfect te zijn om Jezus te kunnen volgen. We kunnen en mogen juist beter worden dóór hem te volgen. Het is tegelijkertijd ook een enge gedachte, want het betekent dat we ons niet meer kunnen verschuilen achter: 'Dat kan ik toch niet.' Precies daar prikt Jezus doorheen. Door onze angst dat we toch niets voorstellen, prikt hij heen naar ons verlangen: "Jij hoort erbij. Jou wil Ik. Volg Mij."