Wat offer ik op?

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 306 niet laden
Ik zit regelmatig in de trein tussen Amersfoort en Amsterdam. Soms lees ik wat. Vaak zit ik naar buiten te staren verzonken in gepeins. Dat was afgelopen week ook het geval toen ik de drie lezingen van vandaag aan het overdenken was.

Tijdens de reis van Amsterdam naar Amersfoort komt een gesprek in mij boven dat ik gevoerd heb met een collega op m'n werk. Het ging over haar grote afkeer jegens de kerk. Ze zei: "In de kerk is veel huichelachtigheid. Kijk maar eens hoe, diegene die vooraan zitten, zich in het dagelijks leven gedraagt..

Ik vond het toen een goedkoop argument om maar niet bij de kerk betrokken te raken. Maar nu, na het lezen van de lezingen van vandaag viel mij de overeenkomst tussen haar gedachte en de eerste-, tweede- en evangelielezing op.
Als eerste de lezing uit Hosea .

Hosea is een profeet die de relatie van God met zijn volk ziet als die tussen man en vrouw. Respectvol en elkaar aanvullend. De lezing van vandaag begint met enkele opmerkingen van het volk dat zijn Heer wil liefhebben. Maar God weet dat zijn volk vaak afdwaalt en dat de goede woorden vaak flinterdun zijn. Offeren ja, dat gaat zelfs heel uitbundig, maar daarna gaat het gewoon door met het leven en de wil van God wordt weer aan de kant gezet. Offeren als een soort afkoopregeling zullen we maar zeggen. Daarom zegt God: "Uw vroomheid is als de morgennevel, voordat je het weet heeft de zon deze alweer laten verdampen.

"Vroomheid wens ik, geen offergaven".

Je zou denken dat God graag ziet dat je heel vroom "handjes gevouwen en geknield voor zijn aangezicht" bidt. Maar dat is een vertekend beeld waarvan de oorzaak geheel ligt in de taal die wij spreken. Met vroom gedrag of vroomheid wordt niet godvrezend of religieus bedoelt, maar flink en rechtschapen. Vroom komt van ferm, standvastig zijn.

Dat standvastige geloof zien we nu ook terug bij Abraham zoals Paulus schrijft in zijn brief aan de Romeinse Christenen die we vandaag in de tweede lezing hebben gehoord. Ondanks de hoge leeftijd van Abraham en de dorre schoot van Sarah blijft zijn geloof op een talrijk nageslacht overeind. Er staat geschreven: "Hij twijfelde geen ogenblik aan Gods belofte". Zijn geloof werd ook niet geschaad. Abraham was een vrome man.

En Jezus? Aan zijn vroomheid hoeven we niet te twijfelen. Zoals we vandaag ook weer mogen lezen in het evangelie. Hij blijft standvastig bezig met de zwakkere in de samenleving. Nu is de tollenaar Matteus niet zwak qua gezondheid, maar staat wek erg zwak in het sociale leven. Tollenaars worden buitenstaanders beschouwd. Daar ga je niet mee om, die heulen met de vijand. Jezus zegt eenvoudig tegen Matteus: "Volg Mij". Daarna gaat hij gezamenlijk met zijn leerlingen en de tollenaars eten. Een dergelijke maaltijd is een sociaal gebeuren waaraan, in die tijd, net als nu, veel waarde wordt gehecht.
De zogenaamde "zuiveren", de Farizeeërs hadden natuurlijk weer opmerkingen over de ontstane relatie tussen Jezus, Matteus en de zondaars.
En nog altijd, nu 2000 jaar later, schenkt Jezus het ware geloof aan mensen die daar, maatschappelijk gezien, niet voor in aanmerking komen.

In de paar zinnen van het evangelie van vandaag zitten twee kernen: "Niet de gezonden hebben een dokter nodig, maar de zieken" En er staat: "Ik wil liever barmhartigheid dan offers". In deze laatste zin horen we Jezus als de God van Hosea spreken: "Vroomheid wens ik, geen offergaven."

Bij de eerste zin: "Niet de gezonden hebben een dokter nodig, maar de zieken" kun je afvragen wie hier de gezonden zijn. Ik mag natuurlijk niet vloeken in de kerk, maar ik vermoed dat de evangelist Mattheus met deze metafoor een vergissing heeft opgeschreven. Er zijn in dit verband geen gezonde mensen op de wereld. Iedereen heeft, volgens mij, het woord van God nodig. Wie is helemaal zuiver? Je kan zeggen: Hij die zonder zonden is....... En dat zet je dan aan het denken.

Bedoelt Jezus, via het evangelie van Mattheus, met het woord "gezonden" soms de Farizeeërs? Hij noemt ze rechtvaardigen. Vindt Hij deze functionarissen dan gezond? Is hoogmoed dan geen zonde en zijn ze daarom dan ook geen zondaars? Ik vind ze behoorlijk ziek in hun opvattingen. Altijd pretenderen het beter te weten. Ze zijn heel vroom, ja ... dat wel. De Farizeeërs zagen het als hun taak de gewone mensen te bereiken en om hun kennis aan hen over te dragen. Zij waren bij uitstek een groep die zich identificeerde met het "gewone volk". Maar deze rabbijnen leefde wel volledig volgens de letter van de wet, en niet altijd in de Geest daarvan. Het is bijvoorbeeld belangrijker op tijd te zijn in de synagoge dan een overvallen man, die langs de weg ligt, te helpen bij zijn verwondingen. Die laten ze liggen voor een ander. Zoals voor de barmhartige Samaritaan.

Zoals ik aan het begin van mijn overweging al zei, zat ik hierover in de trein tussen Amsterdam en Amersfoort na te denken en ineens denk ik ook aan mijn eigen agenda.
Druk, druk, druk, vergaderen met het parochiebestuur, koor repetitie, Radioprogramma Kerken in Keistad opnemen, meehelpen met McFaith, een overweging schrijven voor vandaag, bla, bla, bla.
Allemaal activiteiten buiten mijn gezin en mijn werk t.b.v. de parochie of mijn geloof.
Me dunkt, ik offer me toch een hoeveelheid tijd op voor het goede werk van de Heer.
En dan komt God met zo'n stelling: "Vroomheid wens ik, geen offers".
Maar..... In alle oprechte vroomheid sta ik me hier toch behoorlijk op te offeren dacht ik zo.

FOUT.
Dat is niet wat God van ons, en dus ook niet van mij, vraagt.
Dat is allemaal bijzaak. Je kunt het één nou eenmaal niet zonder meer vastkoppelen met het ander.
Verwacht van mij nu geen antwoorden, maar eerder de vraag:
"Wat offer ik dan op? Voor wat?".

Dat was ook de vraag die in mijn hoofd spookte toen de trein het station van Amersfoort binnen denderde. En die vraag staat nog steeds.
"Wat offer ik op? Voor wat?". En niet alles is direct in antwoorden te vervatten.

Ik loop naar de fietsenstalling gooi mij koffertje achterop de fiets en rij nog napeinzend naar huis waar op mij wordt gewacht.
Het scheelt al heel veel als je weet dat er nog vragen zijn die beantwoord moeten worden. Daarbij koester ik de gedachte dat ik altijd bij Hem terecht kan met mijn vragen.

Hoe bedoelt U het nu Heer? Wijs me de weg. Geef wijsheid en richting om in juiste vroomheid mijn liefde voor U te tonen. Uw weg te volgen.
U kwam voor alle zondaars. Voor allen die beseffen dat, hoe goed ze het ook doen, ze ook altijd hun fouten hebben.

Ik weet nu dat Hij ook voor mij kwam. Maar ook voor u, voor iedereen.

Amen