Het moest botsen

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 233 niet laden
Ten tijde van Jezus was Israël een bezet land. De Romeinen hadden het veroverd en hun landvoogd was verantwoordelijk voor de goede gang van zaken. Daartoe behoorde onder andere het innen van belastingen. Slimme bezetters (en dat waren de Romeinen) trachtten de lokale bevolking aan hun kant te krijgen. Er waren ter plaatse altijd wel mensen te vinden voor 'samenwerking met de vijand', op voorwaarde dat er wat aan te verdienen viel. Zo werkten de tollenaars voor de Romeinen en Levi, de latere Matteüs, was een van hen. Niettemin riep Jezus Levi om Hem te volgen.

De Farizeeën hadden het bijzonder moeilijk toen ze de rabbi uit Nazaret zo bezig zagen. Wat Jezus deed, was niet alleen onfatsoenlijk, het was zonder meer verboden. Het ging vierkant in tegen de wet, dat is tegen wat God verlangt en eist. De Farizeeën hadden, in hun conflict met Jezus, de wet (en dus God!) helemaal aan hun kant.

Nu moeten we die Farizeeën niet zwarter maken dan ze al waren. Ze kregen in het Nieuwe Testament een heel slechte pers. Ook zij kenden de woorden van de profeet Hosea: 'Barm-hartigheid wil Ik, en geen offer, en meer dan brandoffers, wil Ik kennis van God.' Jezus wees hen daar wel op, maar in feite is dat niet de grond van de zaak. Het gaat hier niet zomaar om een tegenstelling tussen offerpraktijken en barmhartigheid. Want in zijn omgang met tollenaars en zondaars deed Jezus meer dan werken van barmhartigheid. Door met hen aan tafel te gaan, nam Hij hen (weer) op in de gemeenschap met God zelf. Met andere woorden: Hij vergaf zonden. En dat namen de Farizeeën niet, om de heel eenvoudige reden dat alleen God zonden kan vergeven.

Het gaat hier niet zomaar om een aansporing tot barmhartigheid. Onder die woordenwisseling smeult een veel harder conflict. Jezus vergaf zonden en dat kan alleen God. Bovendien sprak Hij met een ongehoorde pretentie: 'Ik ben gekomen... om te roepen.' Men ergerde zich aan het feit dat Hij zondaars riep. Maar veel ergerlijker was het feit dat Hij überhaupt riep! Want ook dat kan alleen God. Hij, en niemand anders, roept. Profeten bijvoorbeeld. En die profeten moeten dan aan het volk bewijzen dat zij inderdaad door God geroepen zijn, anders zijn ze valse profeten.

Als het alleen om de oproep tot barmhartigheid ging, dan zou alles binnen het kader van de wet gebleven zijn. Jezus zou dan een bepaalde strekking in de interpretatie van de wet ver-tegenwoordigd hebben. Het breekpunt ligt echter in het feit dat Jezus zich boven de wet stelde en dingen deed die enkel God zelf kan doen. De Farizeeën waren verstandig genoeg om te vatten dat het eigenlijke conflict daarom draaide, met name om de pretenties die de rabbi uit Nazaret zich aanmat. Dat namen ze niet. Het conflict zou voor Jezus fataal aflopen. Niet alleen omdat Hij opriep tot barmhartigheid, maar omdat Hij, in hun ogen, God lasterde...